buiten; van zijn lichaam zal hij nog niet vertellen; hij kan het niet.
„Ja,” zegt Vader binnen. „Er moet een vrouw komen. Een vrouw, dat is de eenige redding.”
Marcus ziet zwijgend voor zich. Eli merkt dat hij en Vader het niet eens zijn, en dat er verzet is bij alle Am-sterdamsche jongens.
„Wat wil jullie dan wel ?” zegt Vader, „als jullie allemaal samen hier willen komen om de boel ordentelijk te houden, dan is het ook goed. Maar dat zal wel zoo makkelijk niet gaan. Nou. Moeder zaliger die heeft het gekund. Met de paar centen die er altijd maar geweest zijn, heeft zij het gekund, beter, of minstens zoo goed als één vrouw, wie ook, de beste ook. En nou is ze d’r niet meer. Het is een ongeluk, dat God ons heeft opgelegd; ik kan het niet zeggen wat ik er aan mis: dat kan men niet zeggen. En of je dat nou tienmaal zegt, of datje dat nou tweehonderd maal zegt, dat geeft niks, geen krummel. (tot oome Simon) was gibt das, gibt das cppes ? Het is gebeurd. Lea is een meisje van nog geen zeventien jaar, en ze kan het niet an. Op geen stukken na; ze brengt er niks van terecht. En of jullie daar in Amsterdam nou hoog springen, of dat jullie laag springen of dat jullie in het geheel niet springen, dat blijft mijn net precies hetzelfde; daar moet een vrouw komen, die het stuur in handen neemt. Lea heeft geen leven, en ik heb geen leven ook niet, en de anderen komen te kort, we komen allemaal te kort. Als Kodesj Borregge ons onze paar dubbeltjes pernose blijft geven, dan moet het gebeuren. Andere menschen met andere belangen die niet op de hoogte van de zaak zijn, kunnen er ook niet over oordeelcn.”
Marcus heeft tegengesputterd, maar hij kan vader’s vastheid niet verzwakken.
„Wat U hier in huis wilt halen, dat hoort hier niet.” „Boé-oé!” spot Vader, „verbeeld je maar niks hoor! ze is precies van dezelfde adel als jij; daar mankeert geen enkel leeuwtje of kruisje an ook niet. Jullie bent ook allemaal bij de voddenzak opgegroeid. En je bent er even goed om. O zoo, lijkt mij ook. Niks ben jullie, op dat gebied: voor de groote wereld niet. Niks.”
37'