„Hanna! (tot Eli weer) Daar wordt men ziek van, weet je dat? — Hanna!”
Hanna wordt ook onderzocht.
„God bewaar, kindere, kindere. Jullie houdt je mond hoor, over wat ik hier zeg,” dringt hij stil. „Wad-een schandaal. Tu-tu-tu... nou! Ik zie het wel. Mijn oudste zuster doet flink haar best. God zal beware. Vanavond hoor!” zegt hij geschrokken, „vanavond. Jullie zegge niks, geen woord binne hoor! van wat ik hier gezien heb. Vanavond zal ik wel zien. We zulle wel zien, hoor! Hoor?” zegt hij, terwijl hij weer in de voorkamer gaat, en zich stil weer zet.
Achter de woorden, achter den bluf en het geheimzinnige dat hem overdrijving lijkt, voelt Eli toch weer den broer. En hij hoopt dat de broer zal redden, al is ook dat afschuwelijk. Want hij begint nu opeens te begrijpen dat het vreeselijk is, met Hanna en hem. Hij weet het opeens. Nu pas, na zoo lang. Hij ziet Marcus nu met vader fluisteren, heftig vragend, en vader weert spottend af, trekt de oogen op en zegt dan:
„Wordt wel degelijk voor gezorgd hoor! Kan onmogelijk zoo krimeneel wezen, en verder voor de rest gebeurt dat overal.”
Hij kijkt schuldig rond en grapt:
„Elk huisje heeft zijn luisje.”
Vader maakt er zich vanaf; hij onttrekt zich aan zooveel tegenwoordig, hij is meer van huis dan ooit. Eli voelt zich meegenomen in een leven van wanorde en verwaar-loozing, dat over hem komt zonder dat hij er zeggenschap in heeft. Sinds lang geeft hij er zich aan over, zoekend wat het brengen zal.
Moeheid, gemis, smart en droom. Wat is het, dat er gebeurt?
Het naar bed gaan en het opstaan heeft geen orde meer; het heeft de strengheid van den eisch niet meer die soms iets afnemen kan, maar ook een verfrisschende tevredenheid van dagverdeeling kan brengen.
Het heeft de vloeiende wetteloosheid van de dagen die de aanvoeling wekken van een vleugje breed, vrij leven; maar die in deze armoede aan stoffelijke genoegzaam-
367