eiland. „Op een eiland,” fluistert hij zuchtend voor zich heen. Opeens hoort hij om zijn stilte heen de anderen allemaal lachen: zij kijken naar hem. Hij schrikt: hij weet wat er gebeurd is: „Op een eiland!”
„Wat is dat?”
„Op een eiland?”
„Och nee! niks,” zegt hij vuurrood en spijtig. „Mesjogge,” Marcus haalt zijn schouders op. Lea ook. „Mesjogge kind, malle jongen, zeg dan wat het is, wat bedoel je nou, hè?”
„Niks,” fluistert hij hcesch, verontschuldigend, „ik zei niks!”
Het Amsterdamsche meisje aanmatigend, fleemzoet: „Wedde dat ik het raad? Hij heeft gedacht aan zijn les op school, niet? Voor de meester,” zingt zij sentimenteel. „Niet?”
„Nee.”
Hij heeft haar aangezien; het woord les en meester is pijnlijk geweest om aan te hooren. Hij durft niet toonen hoe valsch hij haar vindt, en glimlacht valsch terug. „Nee? Je wil het niet zegge.” (O, wat is dat pijnlijk). „Nee, heusch niet,” zegt hij zoo goedig en vertrouwelijk als hij het maar huichelen kan, en gelukkig, zij laat hem nu.
„Jonge, blijf toch van je hoofd af.” (Dat is die meid haar schuld). Marcus zegt het. Wat zal er nou gebeuren. Even later komt hij bij hem, en vraagt verborgen:
„Wat is er toch, zeg. Heb je last op je hoofd? Kom ’s even mee, hier, zeg Eli.”
Hij gaat met hem de kamer uit, de gang in.
„God bewaar,” zegt de eenentwintigjarige Marcus, met ijdel-gezwollcn leiders-nadruk, en heelemaal Joodsch-Amsterdamsch in zijn uitspraak en klank-beweging, zacht, in de gang:
„Gód zal beware... wat is dat? Kom eens hier, naar de achterkamer! Word jij niet verzorgd? Hè? Doet Lea dat niet?”
„Ik weet het niet.”
„Is dat al lang?”
„Ik weet het niet,” zegt hij maar half willig.
366