stil in je en leeg en wee, omdat je hem er bij wilt trekken en je kunt het niet, want hij ligt onder den grond, op het „Kywer Owous”, zoo verschrikkelijk alleen en koud; je kunt het niet verdragen er aan te denken, en je kunt er met niemand over praten. En Mau is hem afgenomen, die hij nog naar de boot heeft gebracht, toen hij naar achter Oldenzaal ging, in een dorpje bij de grens, bij die Katsef. Mau is nog eens thuis geweest. Behalve laatst, toen moeder begraven werd, is hij nog eens daarvóór een paar weken thuis geweest, omdat hij ruzie had gehad met zijn baas. Eli had het toen zoo heerlijk met hem gehad, en gehoopt dat hij blijven zou, maar dat was weer stiekem mis. Want opeens kon hij weer terugkomen, en floep, daar was hij hem kwijt. Hij had nog zoo verteld van zijn werk, en de wegen die hij daar met de koeien moest gaan. Allerlei verhalen, en dat hij zooveel geld bij zich had, dat rammelde ’s nachts in donker, en dat hij wel bang was maar vastbesloten om er op te slaan als iemand hem zou aanvallen om het geld. En van aardige meisjes had hij opgeschept, die Mau. Dat hij ze allemaal wel tot meisje kon krijgen, en hij zou er met de jongens om vechten, want voor geeneen was hij bang; natuurlijk schepte hij op. Maar het is toch eventjes een fijne broer, om zoo bij je te hebben op den slaapzolder, en hij vertelt je dan zoo zacht pratend uren lang van dat verre dorp waar hij zoo geleefd heeft. En eenmaal van over de grens, waar hij was in een soort café; daar was een Duitsche zangeres, die zong een heelen avond op een tooneel, liedjes:
,,Eine schone Wiener Dame machte grosze Reklame Sie war Singerin in einem Variété...”
precies op de wijs van Siene-la-me-los.
,,En je blijft met gemak met de handen uit me zak!
Siene-la-me-los”:
„Sehn Sie, dasz ist ein Geschaft, das bringt noch was ein;
361