groot! Allemaal in de groote wereld! Afgeloopen. Abge-sjmoesd!” Maar het gebeurt, het ontzettende, allemaal. Eli zit er bij te denken; hij kijkt van het meisje naar zijn broer Marcus, en er zijn oogenblikken dat hij precies weet hoe alles gebeurt. Het meisje begint telkens deuntjes te zingen, of staat op en doet iets aan haar kapsel of kleeren, en dan is het, of zij weet dat zij iets in haar schild voert dat niet goed is; niemand schijnt te merken dat Eli het weet, en hij weet het toch: dat zij zich schuldig voelt. Het is ook telkens maar eventjes, maar het is zoo.
Wat ziet Marcus er eigenlijk ook gek uit. Hij heeft die snor en daar draait hij nu voortdurend aan, en zijn haren zitten prachtig geplakt en hij is ook prachtig gekleed, van beneden tot boven. Je kunt zien dat hij er verschrikkelijk veel moeite voor heeft gedaan, en hij is er den hcelen tijd mee bezig om te zorgen dat het zoo mooi blijft zitten. Nee, het is Marcus niet. Is dat Marcus Leefmans ? Hij zit den heelen tijd ook te vertellen van Amsterdam; alles is er kolossaal: „Kolossaal,” zegt hij, „gewoon kolossaal, je komt meer menschcn tegen in een half uur dan hier in een heel jaar.”
Het is toch allemaal gek wat hij zegt: hij doet er zoo gek bij, alsof hij eigenlijk erg vereerd is dat hij daar in Amsterdam mag rondloopen.
„Hè?” zegt hij dan tot het meisje, „niewaar vrouw? ’t is mijn fijne vrouw hè ? O, het is zoo’n fijn vrouwtje van me hè? — Hè Serlien?”
De omzittenden grijnzen weer, en Eli ziet Marcus van zich wegglijden; zijn lach is vreemd, en zijn gebaren zijn brutaal-verlegen. Eli vindt het eigenlijk een gemeen complot, van Marcus en zijn meisje. Tante Martha is ook niet heelemaal zooals het wezen moet, o god, nee. Toch is ze veel liever en echter, tante Martha. WTat lijkt die Serlien dun en schraperig, en dom.
Ze is verschrikkelijk dom, nu weet hij het. Ze is van binnen blind, en zij is verschrikkelijk brutaal, en zij ruikt ook niet lekker, achter die eau de cologne. Het is een bedriegster; zij doet net of zij voor Marcus zooveel waard is, en zij is niets voor hem waard. Er beeft niets aan haar. Aan menschcn moet iets beven; aan alle echte menschcn
359