schiedenis daarvan, cn van de familie, en de buren, van hier en van het vroegere huis. Naar al de dingen die, al zeggen ze het zoo niet, fijn zijn voor hen allemaal, niet om uit te spreken, en nog niet vervangen. Want zij gaan daarover altijd met een veel zachtere stem praten. De meisjes en de vrouwen zitten erbij, en glimlachen, of probeeren ook mee te vragen, en zeggen dan dat ze het ,,eenig” vinden. ,,Ik zou wel een jaar hier kenne wone! zoo echt typisch vind ik dat allemaal; hoe zegge jullie dat?”
Haar verloofden of haar mannen doen dan trotsch, want het staat zoo beschaafd en geleerd om dat te zeggen, „typisch”. Voor de jongens is het dan prachtig om daarbij dan door de handen van zoo’n dame aangeraakt te worden. De jongens of de mannen van hier die er bij zijn, doen dan of zij ook allemaal wel met haar verloofd zouden willen zijn; de verloofden zelf merken het en zitten ervan te genieten; Vader lacht ook. Maar Eli vertrouwt daarin Vader niet. Hij zelf kijkt van het meisje naar den jongen en van hem naar de benijdende anderen, en hij voelt een valsch spelletje om zich heen, dat hem iets dierbaars ontneemt en voor altijd vergiftigt, al kan hij niet precies weten hoe het dan anders moet.
Het Amsterdamsche meisje knijpt hem daarop in de wang, en hij lacht; want daar kan hij niet tegen; maar beneden de wisseling die zij brengt aan verlangen naar het vele begeerenswaardige van de groote stad: beneden die onrust die het meisje, dat met haar dunne scherpe bevende stem opera-liedjes zingt, in hem steekt, en die hem met schrik aan het oogenblik van haar vertrek met Marcus doet denken, daar beneden voelt hij een onverklaard verdriet, de snijding van een geniepig toegebrachte wond. Een koudheid, een beleedigend, ontwijdend spel; een valschhcid, een aanstellerij die niet stilzitten; die kalmweg zijn vijanden zijn, en kalmweg iets van hem nemen dat baar niet toekomt.
Het gebeurt toch maar; er is niets aan te doen. Hè ? Er is niets aan te doen. Niemand, alleen hij, denkt aan zulke dingen. Vader dan ook niet? Vader wel eens een beetje. Hij zegt wel eens zooiets van: „Ja! worden allemaal
358