ALLERLEI GEDIERTE ch, wad-is hij grout geworde,” teemt het Amster-damsche meisje in het oude gammele provincie
huis; „óch, wad-is dat kind kolossaal gegroeid; ik zal sterve als ik hem zou zien, en ik wist niet, hij was het, zou ’k ’m niet weeromkenne. Néé!” gilt zij achter dat alles, als bevestiging. Zij is eigenlijk niet mooi, broer Marcus’ verloofde; maar wat weet hij daarvan, Eli ? Het kan hem ook niet schelen. Zij trekt hem een beetje; omdat zij ruikt naar Amsterdam, naar nieuwe kleeren uit schoone groote winkels, naar groote breedc straten vol menschen met geld om van te leven, in hun zakken, en zij ruikt naar eau de cologne. Maar niet zoo echt als de meisjes van hier, verleden week, toen het Jom-Kippoer (groote verzoendag) was, bij den ingang van de Sjoel roken. Daar was toch iets veel prettigers aan, aan die nichtjes en de kennissen daar bij de Sjoeldeur: hij kwam naar buiten, bleek en gekweld van bijna een lieelen dag vasten en mee-roepen; en hij kreeg er toen van, van de eau de cologne, op zijn zakdoek. En van de groote teedere aandacht kreeg hij, van de meisjes voor de jongens die als mannen een heelen dag vasten, nog wel op zulk een zwaren, hceten Jom-Kippoer.
Iets daarvan, maar lang zoo vol en betrouwbaar niet, ruikt er aan Serlien, het meisje dat Marcus zoo maar uit Amsterdam meebrengt, nu al voorden derden keer wel, als zijn verloofde. „Mijn meisje”, „mijn jonge”, zeggen zij van elkaar. Eli vindt het niet prettig klinken; er is iets hards voor hem aan. Ook als Serlien zegt: „mijn man-nie”, schertsend, klinkt het hem koud en zelfzuchtig. Hij glimlacht als bij een kleine gift, omdat er veel gevraagd wordt; maar in zijn hart loert hij, omdat zij elkaar weer meenemen naar Amsterdam. En elkaar daar houden, van het huis weg, van al de stille geheimen weg, die hij en de broers hier met elkander gehad hebben, ook al is Marcus al zoo lang uit huis. Want Marcus en ook Jaap en Levie en ieder die „over” is, zit toch altijd, buiten zijn meisje of zijn vrouw om, thuis naar de dingen te vragen van den handel, de „Mazzel en Brooche”endeheelege-
23