En daar komt opeens vader op Maandag van de markt met een gezicht waarin iets verschrikkelijks schijnt gebeurd, en vertelt dan langzaam onder het eten: van het gekke, het krankzinnig onbegrijpelijke en kille, dat Har-tog om hen heen uitvoert.
Zooals vader altijd begint te vertellen, met de stem van den persoon, die tot hem spreekt; vaak is dat een vroolijk verhaal; soms een verdrietig, voor de anderen; nu is het enkel vreeselijk voor hemzelf:
„Jij komt óók nog wel bij ons, Leefmans!” zegt Vader bitter.
Dat had de ouwe rijk-geboerde huizenbezitter hem op de markt bij de Sgoure gezegd, zoo kalm-weg, maar met een stil miesse-mesjinne-gezicht, zei vader; met een paar mien-oogen waar, zooals de Amsterdammers zeggen, „zoo finaal de trem over heen moest.” De fijne, de „gereformeerde ouwe smerige stinkende betoege gauwdief van een uitgeslepen stille jodenvijand,” die zoo kalmpjes op hem toe was gekomen, en hem een van de ergste dagen van zijn leven had bezorgd:
„Jij komt óók nog wel bij ons, Leefmans!”
„Ik kom ook nog wel ? Wat dan, Hanneman ?”
„Dat zul je toch wel weten, wat ik bedoel?” (met zoo’n pestlach).
„Watje bedoelt? Ikke, weten?”
„Ja, daarom zeg ik: je komt ook nog wel eens bij ons. Je komt ook nog wel eens tot den Heere. Wantje weet wel: dat is de kinderen Israëls beschoren.”
„Tot de Heer? Ikke? maar beste man, ik weet in ’t geheel niet waar je het over hebt.”
„Maar dat zul je toch zeker wel weten, datje zoon nou bij ons is gekomen?”
„Mijn zoon?”
„Ja, je zoon Hartog die is toch Christen nou? En weetje dat dan niet?”
„Watblief? Mijn zoon Hartog? Christen? Weetje nou werkelijk wel watje zegt, Hanneman? of neem me niet kwalijk, maar heb je nou een slokkie op? Slokkies, daar doe je toch niet te veel an, wel?”
„Nee, hèliè...” zoo met zijn witte uitgeficjeneerdc pest-
352