pen dat zij was doodgegaan, zooals Ezra van hem doodgegaan was. Allemaal waren zij toen nog eens weer teruggekomen met de begrafenis; het moest toen lijken of hij nog nooit in een rijtuig had gezeten, en dat het fijn was in een rijtuig te zitten een heel eind buiten de stad, en hard terug; en alle menschen keken en vonden hen erg belangrijk. En je beleeft er eerst een liecle boel mee waar niets heerlijks aan is: zooals de Kaddiesch, die hij voor het eerst op de Begraafplaats voor moeder met al de jongens mee mocht zeggen, dat is „voor de ziel van moeder”. Telkens als het gebeurt, in Sjoel, gaat vader in de bank huilen. Dat is afschuwelijk; je wordt er zoo ontzettend verlegen van tegen vader, datje bijna nergens meer over kunt spreken. In zijn verslagenheid bij Ezra’s dood was hij voor dat alles blind geweest.
Dien eersten tijd wordt het overal bij de menschen nu anders: als je ergens komt, is het: „Hij heeft nu geen moeder meer, je mag wel met hem spelen en erg vriendelijk wezen, Goo, of Fredcrik, of Izak, want hij is nou een kind die geen moeder meer heeft.”
Onuitstaanbaar; alsof hij daar anders van is geworden. Op school ook al. De meester stond voor de klas een heele droosje (redevoering) te galmen, van het verlies dat Eli getroffen had. „Want dat is erg! als je (met een schuinen blik naar hem) je moeder verliest.” Hij had vóór zich gekeken en wist geen raad.
Toen kwam die week „Sjiwwe” met allemaal in die ééne kamer bij elkaar; alle jongens en meisjes; de jongens uit Amsterdam, en Jozef zelfs, die er zijn vacantie voor nam. Weer veel bezoek, en eiken dag eten van de Joden uit de Kille gebracht, want het was Mitswe, een goede daad, om voor hen die Sjiwwe (de treurweek) zaten, eten te sturen. Er werd ontzaglijk veel gepraat; elke dag was, zonder feest, toch vol, en eiken avond ging hij zat en moe slapen. Daarom is er toch iets heerlijks aan geweest om te onthouden, aan de Sjiwwe. Want hij heeft een heele week geleefd met alle broers en zusters hier uit het huis, behalve dan Ezra. Dat is iets om in zijn herinnering vast te houden; want het is na dien niet meer gebeurd. En hij gelooft niet dat het ooit meer zoo gebeuren zal.
35°