wel niets van mogen hebben, maar hij had toch maanden lang tevoren Moeder er mee bezig gezien, en haar met Vader er nu en dan zacht over zien praten: over de glazen potten met vruchten op brandewijn; morellen, en groene pruimen, en rozijnen, en abrikozen. In het kleine voorkamertje onder in de kast; voor de Menschen, op het Feest.
Toen de menschen eindelijk kwamen, was er een oogen-blik het Geluk; zij komen binnen door de deur; eerst in de gang, dan in de deur van de kamer, waar de anderen zitten. En dan lijkt het even heelemaal goed: de stemmen van het gelukwenschen en de drukkende handen. Niét de cadeau’s. De cadeau’s zijn mooi, maar pas later, en niet bij het feliciteeren.
Bij het feliciteeren hoort niets anders dan de stem en het handdrukken. En hij denkt nu dat het alles goed kan zijn in de wereld. Vooral ook nog als het Christenen zijn, want die waren er ook; daarbij lacht het zachtjes in je, tot in je keel. Want nu is het dan toch of alle menschen vrienden kunnen zijn, als zij maar zouden willen.
Als zij maar zouden willen, zooals hij, Eli, het stiekem in zijn hart weet hoe er gedaan moet worden. En dan allen Vrienden.
Lea was nog thuis met een paar weken vacantie; alle anderen waren weer weg, toen Moeder opeens een beetje ziek werd, en zoo stil weg maar doodging. „Het was allemaal een beetje te veel,” zei Vader stil, „voor die kleine Roosje van Leer.”
Het was leelijk, in de bedstee in de achterkamer; hij heeft haar maar tersluiks een beetje gezien: het was leelijk, maar heel anders als bij Ezra. Want moeder is altijd oud geweest; altijd een grijze vrouw, een magere, vermoeide, grijze vrouw, voor hem. Hij kent alleen maar meelij met haar: hij is nooit zoo bevriend met haar geweest, en er was niet zooveel aan haar te weten als aan de anderen en aan vader. En pas heel later kan hij over haar denken: er was zooveel drukte om heen van plichten en plechtigheden, en zooveel tranen van vader en de anderen, dat hij niet kon nadenken over moeder, en niet kon begrij-
349