Een kracht, vaag aangesloten op andere krachten, drijft van hem uit hier; een huilende opschreeuwende kracht, van liefde-verzet, van deze stille, mis-prezen plaats uit, door den zolder heen, naar buiten in de wereld, waar ergens de vreeselijke Schuld moet zijn.
Uit zijn opgejaagde smart maakt zich het verzet los, vaag van vorm, stil-loerend machtig van geest. Hij duikt in zijn smart, en wil een woedenden straffenden greep, naar de Schuld. Hij weet dat hij het Leven moet beschermen.
Ergens, overal in de schuldige wereld, worden valsche zekerheden tot trillen gebracht.
347