van voorbijgegane levensstaten, zoete kneuzingen geven, pijnen van herinnering, die opnieuw gezocht worden en herroepen tot zij niet meer treffen; hij wekt, met zijn honderd waardelooze wrakjes van speel- en gebruiksgoed, honderd voorstellingen die in de ruime volte van het zachtbemijmerde leven bewegen en voortrijden tot in den droom: een houtje, een boek, een blaadje met vergeelde letters of een prentje, zet hem tallooze malen in roerlooze mijmerij neer, het voorwerp in de geheven hand, de oogen scheef naar het verbceldings-vergezicht, terwijl hij gehurkt zit bij het donkerblonde licht van het dakraampje. Maar nu... was het maar zoo! was het maar zoete weemoed nog, al kon die ook schrijnen.
Vandaag is alles rauwe pijn, wanhoop; dit is het ongezochte, zonder verzachting; dit is enkel lijden.
Hij ziet niets van de vormen die den zolder vullen; hij gooit zich languit over een kist, radeloos, en hij kreunt zacht en lang, om Ezra dien hij niet bewaren kan. Al wat Ezra gezegd of gedaan heeft, wordt nu zoo anders voor hem: zijn spel wordt verlegen, al zijn woorden schijnen vragen te zijn geweest; en hij herinnert zich met wrangheid dat wreede spelletje dat men een jaar geleden met zijn smartelijk-blijkenden levensdrang speelde, toen men hem, den altijd hongerige, dien lekker belegden boterham in den donkeren avond van het gevreesde binnenplaatsje liet weghalen: en hij zich de deur uit wierp op het plaatsje, en snel met den buit weer binnenkwam, en schrokte.
Troosteloos van pijn ligt Eli zoo, met het beeld van den als een machine hijgenden broer voor zijn starende oogen, en hij zoekt naar iets dat deze onpeilbare wreedheid moet begaan. Iets moet er zijn dat schuldig is; hij kent het niet. Maar de vage gedachte leeft in hem op, dat dit onrecht is, dat dit misdaad is. En zijn oogen verwijden, zijn hoofd schijnt uit te zetten van dit hevig gevoel van protest.
Hij weet dat hij het nooit zal vergeten; dit éenc weet hij: dat hij, hoe dat weet hij niet, deze vreeselijke pijn moet wreken, of hij heeft geen recht te blijven staan, terwijl Ezra hijgend wegzinkt. Overmeesterd van droefenis en meelij, maar niet heel en al machteloos, voelt hij zich.
346