„Je wilt zeker wel de dokter halen, of-ie dadelijk wil komen,” zegt Vader achter adem tot Marcus, en zij knikken beiden kort tot elkaar.
Een oogenblik later staat Eli bij Ezra in het kamertje. Hij schijnt van binnen te breken, te scheuren. Ezra vraagt zijn hand, hij geeft die angstig; hij voelt het verband bestaan, en hij kan het niet vasthouden. Hoe is het mogelijk, datje iets liefs wil vasthouden met je hart, en dat het toch in den afgrond wegzinkt, terwijl niemand het schijnt te willen ?
De oogen van den stervenden Ezra zien hem aan, vol bewustheid van wat er gebeurt, en in die brandende oogen die zonder geloof in een mogelijkheid zich aan den smeekenden omhelzingsblik van het kind willen hechten, zien Eli’s wijde oogen als een wanhopige greep naar iets dat niet houdt... Niets van het medeleed wordt ongewekt gelaten, en niets van de volle smart van het vergaan van den stervende blijft ongeleden.
Eli, in het leven, ongeschonden, voelt zich verraderlijk; er is iets van lafheid in om te leven, als de vriend moet sterven; hij voelt dat hij iets zou willen geven: een hand, een voet, een oor, om Ezra in het leven te bewaren. Hij voelt er iets van dat hij dit nu altijd zal houden, een gewaarwording van verraad aan den broer die wordt weggetrokken, terwijl hijzelf, bij alle leven, blijft staan. Grondeloos van onmachtige genegenheid jegens elkaar zijn de blikken van hem die heengaat en hem die blijft. Uitgeput laat de beenige hand los, het hoofd valt op het kussen terug; nog een zijdelingsche blik, en in het hijgen dat allen wil overmeestert, staren de oogen dof voor zich heen.
Eli treedt zacht terug; eer hij bij den muur is, zijn Vader en de broers in het kamertje gekomen. Een vertrouwelijke vraagnik naar het ontroerde gezicht van het kind blijft onbeantwoord; hij ziet nog een oogenblik naar Ezra, die door sloopende hijgingen in beslag genomen wordt; dan vlucht hij het gangetje in, de oude trap op, naar den zolder. Zoo angstwekkend als hij ’s nachts is, de zolder, zoo troostend en verteederend kan hij zijn zoolang het nog dag is. Hij kan, met zijn rommelige resten
345