„Mijn volste vertrouwen,” zegt hij. Hij loopt een eindje terug. Hij keert weer.
„Mijn volste vertrouwen!”
„Ja meneer.” (Hij durft niet lachen, maar hij begrijpt niets.)
„Je vader! Mijn volste vertrouwen.”
„Ja meneer.” (O wat een fijne verschwartzter nar is het toch).
„Kom eens hier!” (weer achter hem aan) „Hoe heet je: Eli!”
„Ja meneer.”
„Je vader heeft mijn volste vertrouwen! Om zesuurkan-ie bij me komen. Boven. Boven! Begrepen? Dan zullen we zien of alles hersteld wordt. Alles wordt hersteld bij het oude. Alles wordt hersteld bij het oude! Alles wordt... Begrepen?”
„Ja meneer.” In het omkeeren kan Eli het nu niet laten. Zachtjes voor zich heen: „En de Jytzer Horang zit nog niet op de wang.”
„Wat?”
„Nee meneer, niets meneer.”
De Gazzen loopt, zacht in een lach geschoten, naar boven. Zacht in een lach, alsof hij door Eli tot bezinning van zijn uitgelatenheid van vanmiddag w'erd gebracht. Tot Eli geen woord meer.
Meijer had al met het bestuur gesproken. Hij leent Jankef vijf gulden, die Vader aan de armen moet geven, als vergoeding.
Stil tumult van ontroering thuis, en van blijdschap, om Meijer.
De Bus is onbereikbaar geworden.
Maar het kost meer.
Moet het hem dan alleen maar kosten ? Het lijkt wel zoo. „Als ze onder vreemden zijn, dan doen ze het niet,” zegt vader.
„Weetjij het? (moeder) hou maarbijje. Alsjeverstandig bent, hou je je schatten maar bijje, eer er erger van komt.” „Nog nooit van z’n levensdagen gebeurd,” zegt vader,
338