rollende zwelling, door zijn vuist in de lucht opgedreven en bestompt. En steeds, in de zwenkingen van de bochten langs de banken, loert oolijk de blik in verre verstandhouding naar Eli, van terzij, want zelfs hierbij geeft hij zich in geen intimiteit; hij blijft niet alleen de leeraar, maar ook zelfs nu de meneer van het glanzende schoone bovenhuis, tegenover het arme luizenkind:
„De Jijtzer Ho-rrang!
Is nog niet op de... wwang!”
Eli’s oogen volgen hem en hij gulzigt in het verband dat de leeraar toch met hem legt, terwijl die nog steeds maar stil-uitgelaten met het marsch-liedje voortloopt:
„ ...Hóo-rrrrang!
...nog niet op de wang!”
Is-ie niet om op te vreten ? — denkt Eli. Hij wordt spannend beziggehouden door de vraag: hoeveel vertrouwelijkheid hier voor hem geboden wordt? Hij voelt duidelijk den afstand, en hij voelt toch ook de onbetwijfelbare intimiteit, en hij mist toch elke gemeenzaamheid die hem den moed zou ingeven een woord te zeggen of met een beweging aan te sluiten.
Daar schiet de Gazzen plotseling als een roofdier op een van de jongens aan; Sammetje Schaap is het in zijn hoofd en zijn beenen geslagen; hij was al begonnen met in zijn bank op en neer te hippen toen meneer Meijer voorbij ging. Nu die even uit zijn gezicht is, staat Sammetje, boven op den lessenaar, te springen, en met zijn armen, op het liedje van den voorganger, wijd de maat te slaan:
„ta-ta-te-te-ta
ta-ta-te-te-ta!”
De kinderen brullen, en meneer Meijer, als was het een hoogtepunt van zijn spel, rent toe met gedoken hoofd en wild-grijpende blikken en wijdhakenden arm. De laatste meters glijdt hij over het vloerzand naar Sammetje’s
336