Maar hij keert zich af, en nu ziet Eli hem met stil welbehagen na, als hij weer zijn kunsten begint, die hem voor Eli tot zooiets bekends maken omdat zij zoo lekker mesjogge zijn. Meneer Meijer gaat hoog recht-op in marsch-pas door de school; hij heeft nu zijn pijp in zijn linkerhand vast, en zijn rechter arm, horizontaal naast zich, begeleidt zijn uitroepen met korte scherpe opw'aart-sche duwen van de vuist in de lucht:
„Metfrissche moed! metfrissche moed!” roept hij krachtig onder het marscheeren, „met frissche moed! met frissche moed!”
Links en rechts ziet hij de kinderen aan, terwijl hij uitgelaten rondloopt, en eindelijk ook met zijn lijf half dansend het rythme vol maakt:
„Met frissche moed! Met frissche moed!” „Azzes-Ponem! Vlegel!”
Neef Ezra van oome David krijgt een tik tegen zijn parrech. „Met pis-in-de-hoed!” heeft hij, niet heelemaal zacht genoeg, geantwoord toen de Gazzen hem voorbijging. En hij duikt neer bij de klets, en grijnslacht met zijn breeden mond tot midden op zijn goor-gele wangen, om zijn misdaad, en om de pijnlooze straf die het pleizier daarvan verdubbelt.
Eli vertelt het thuis; hij doet alsof hij bedoelt dat de Gazzen zoo’n vroolijke bui had; maar hij weet wel dat het voor de anderen meer beteekent, en de anderen kijken elkaar stil-wenkend aan.
Maar op de middag-school komt er pas meer los.
Als de Gazzen eerst met hen bezig is geweest, en hen daarna aan het werk heeft gezet om het verder een beetje gemakkelijk te krijgen, dan gaat hij weer even naar boven een kop thee halen. Als hij dan terugkomt, is het voor Eli een volledig innerlijk feest; voor hart en hersenen feest. Hij verschijnt door een van de deuren met zijn keppel schuin op zijn grijze kortgeknipte hoofd; het hoofd is zoo hoog geheven als nooit, bijna achterover, dubbel zoo opgewekt als vanochtend, uitdagend tegen de eischen van zijn ambt, en tegen al wat daarvan in de veertig kinderen tegen hem mocht leven. Zijn arm is weer bezig, met iets van een machine-drijfstang. De pols
334