DE HERDER HUPPELT
Den dag na het Slotfeest is het Zondag. En dus moet Eli als op alle Christelijke Zon- en feestdagen, als op Woensdagmiddag, naar de Jodenschool. De " lessenaars staan weer in hun vroegere orde, en Eli denkt met een slagje weemoed aan het zaalbeeld van den Sjijne rabbe-nacht, met de feestelijke vertrouwelijkheid van het licht boven de Psalmen-oprocpende mannen, en den geur van de koffie die alles tot een vreugde bond — tot de verdrietelijkheden kwamen.
Meneer Meijer draagt een hoog fluweelen keppel, dat staat hem goed omdat het niet zoo’n rond plakje is, maar een stevige baret; hij heeft een gouden bril op zijn blank schoon gezicht en hij loopt recht en prettig, licht, in zijn dunne sjamberlock met een afhangende lus van het koord om zijn middel. Om elf uur krijgt hij een kop koffie, en dan gaat hij naar boven en komt vergenoegd terug, met een prachtige lange witte steenen pijp, die hij, als hij rookt, lustig bij het kopje houdt, wel een halven meter schuin op zij.
Hij draait om Eli heen, meneer Meijer. Hij zegt telkens iets dat wel vriendelijk en zelfs vroolijk klinkt, maar toch geen beteekenis heeft; Eli durft er niet op ingaan. Ja, hij kijkt in die gevallen zelfs vóór zich en glimlacht maar nauwelijks even vriendelijk voor zich heen, in de zekerheid, dat dit wel begrepen wordt.
Meneer Meijer zegt bijvoorbeeld, terwijl hij met een papiertje de brandende tabak neerdrukt:
„Met frissche moed!”
Eli kijkt op.
„Met frissche moed!”
„Ja meneer.”
Meneer Meijer draait om zijn bank heen, alsof hij meer zoekt te zeggen. Hij blijft nog eens voor hem staan, en roept, terwijl hij zich naar hem overbuigt:
„Met frissche moed! zeg ik.”
„Ja meneer.”
„Ja meneer?” vraagt de leeraar fronsend, alsof hij recht heeft verontwaardigd te zijn. „Ja meneer?”
333