avond dat Jomtef hcelemaal eindigt, teeder op, en brengt ze boven, in een oud stuk portefeuille-omslag, waar hij al zooveel tastbare teekenen heeft bewaard van oogenblik-ken die hij herdenken wil. Zeker van de winst die zij hem brengen wanneer hij, als de stille aanvretende wanhoop daar is, zich eenzaam op den zolder afsluit, om rijk te zijn met die bewijzen van den goeden wil naar vreugde van de menschen.
Alleen tante Fie, de ouwe vrijster, vader’s oudste zuster, is komen aanloopen, heeft kameraadschappelijk uitleg geëischt en ook gekregen, en op haar eigenwijzen hoogen toon, maar vol vertrouwelijkheid, heeft zij van vader ge-eischt, dat hij, ook bij hun broer Herman, zijn excuus moet maken over zijn kinderen, die God hem immers gegeven heeft, en die niet slecht zijn, al hebben ze nu dan slecht gedaan.
„Zij zijn onnadenkend, Jankef, dat weet je toch,” krijscht zij door het huis. „Ze weten, oser as gazzer, wat ze doen; ze hebben geen benul wat ze jou en hun moeder, die allebei knappe rechtschapen menschen zijn, aandoen. Ik heb het tegen Herman gezegd Jankef!” roept zij achter adem; „maar je moet er zelf heengaan! men zal geen ander sturen! zeggen de Raboncm, (rabbijnen) men zal zelf gaan en God vergiffenis vragen voor zijn neweiriem (zonden); zoo zal men ook heengaan en doen met de menschen, want wat men voor de menschen doet, doet men tegenover God!”
Jankef heeft haar met zijn onwil om de vrouw te erkennen, met het voorbehoud van een goedig spotje, toegelachen, dankbaar voor haar hartstochtelijke warmte, en de moederlijke wijsheid, die de oude vrijster altijd volkomen tot hem en zijn kinderen uitleeft.
Zij heeft een onbekoorlijk kopje, tante Fie, met een ongelukkig toefje grijzend haar waar zij een heel oud stukje van den kapper in gespeld heeft; haar gezicht, joodsch-boersch, lijkt een beetje de voorkant van een koffiekan; maar zij heeft, met haar vasten, breeden mond, als van vader, toch veel menschelijks gehouden; men ziet het haar aan dat zij af en toe eens een beetje huilt, en dat is niet vreemd in een huis waar de tranen zoo bekend zijn
329