er dus niet over te spreken. Eigenlijk is hij niet heelemaal verdrietig, als hij stil in bed schuift, boven. Alleen maar bezwaard door zorg om Vader’s moeilijkheid. Want één ding staat vast in de gevoelens: anders zijn kan het niet, hier. Tegen dat alles staan zij machteloos: de jongens, Vader, hijzelf. De Bus, dingen, dubbeltjes, zijn er de oorzaak van; cn tegen dingen, in hun nood, vermogen zij niets. In de felheid van zijn door het vraagstuk opgcjaag-den waak, poogt hij door de botsing heen te boren; hij sluit op den herkenden grond van Jankcf’s ontlading aan, en stijgt er boven. De Droom, plotseling, doet een kleinen, feilen uitval cn legt alles voor zich vast; slaat al wat zich, als ding, bestraffend wil doen gelden, omlaag, en doet hem de noodlottigheid voelen van een levens-liefde die grijpt en misgrijpen kan, maar die onschuldiger is en deugdzamer (omdat zij, nemend, milder is) dan wie hier zegt te geven. En ieder van hen weet: Vader, en de jongens, en zelfs Oome Herman, die valsch doet tegen Vader, zelfs die weet; en er is er maar ééntje die niet weet, en dat is Theo Jacobson. De Droom, die geen denk-droom is, maar een schijnbaar plotseling klimmende verheffing boven de dingen uit en al wat daarvan in de menschen handelt — de Droom toont hem de gezichten, met glans van kinderlijk doen belegd, liefdevol en gcefsch jegens de armen, die zij bestelen of laten bestelen. Toont hem alleen den President: onwetend, bot, cn met zijn kop vol zekerheid van handelen; als een levend middelpunt van lachwekkendheid. Hol en onwerkelijk is de verschijning van dien kop, die leidend doet, maar het meest aan het Ding verwant en leeg aan kennis is van levcns-drijfveer. Foetsie! de dubbeltjes... niet in de Bus. Niet op de plaats, waar hij ze hebben wil; niet zoo besteed als hij ze wil verdeelen; andere nood, ongekend, is hem voor geweest, en heeft beschikt. En Theo Jacobson woedend, omdat de dubbeltjes niet waar hij ze heeft besteld, en doet of hij beter is dan Vader en de jongens. Hoe-oc! belachelijke Theo Jacobson; sterk in de macht; maar in de schatting van den Droom, over de dingen heen, daar waar rakelings langs den Schijn, het diepste Doel gewogen wordt: ...niets dan een onwerkelijke Wil; niets dan
326