geslingerde beleediging; maar hij heeft toch nu duidelijk een stukje trotsche tevredenheid met vader. Want die blijft, geslagen, toch waardig zitten; hij kijkt niet rond om hulp, en Eli ziet in vader’s oogen een puntje van snijdende woede gloeien, en aan beide zijden van dien geladen kop, de flanken van zijn vasten mond in een glimlach, als twee genepen vuisten; als de dreigende zijkanten van een tot den aanval gereed storm-wapen.
„Zoo meneer ?”
„Jij bent: bode!”
„Maar ik ben nog iets meer meneer? als bode?”
„Jij bent: Bode!” Het klinkt als uit een automaat van macht.
„Ja maar meneer, ik ben ook lid van deze Gewwre?”
Eli knijpt zijn oogen dicht van genot, om de vastheid waarmee vader volhoudt, zijn kop recht, als een bal, waaruit de verdediging spuit naar den tegenstander.
De tegenstander tikt met zijn zakmes op de tafel, uiterlijk onverstoord:
„Jij bent: bode, en je moet zwijgen.”
„Ik ben de bode meneer, (haha, voelt Eli, hij spreekt nog tegen, hij slaat weer terug) en dat hoop ik ook te blijven,” (door het hameren heen van het zakmes op de tafel, en onder een spanning van zwijgen bij alle anderen, die omlaag kijken):
„ik betaal mijn contributie, meneer. Ja meneer kan wel hameren, (goed zoo!) maar ik spreek als lid, en daar heb ik evengoed recht toe als ieder ander hier.” Met verheffing van stem, voluit: „En anders zou ik het ook niet doen, daarv oor kent iedereen mij hier wel.”
Het tikken houdt aan, beleedigend, en uit den kop niets anders meer dan nog eenmaal:
„Jij bent: bode! En jij hebt alleen te zorgen datje aan de eischen van trouw en betrouwbaarheid voldoet, die het bestuur je stelt.”
Jankef kijkt omlaag. Bij de laatste woorden slaat hij de oogen even op:
„Dat begrijp ik niet,” mompelt hij, en zwijgt. Hij voelt dat allen instemmen met zijn verzet tegen die brutale aantasting van zijn rechten als lid; maar niemand durft
322