Eli zoekt snel diens blik en roept vol walging, zacht: „Dank U wel meneer.”
Hij durft het niet te laten, maar zijn verzet wil de heele zaal met al wat er in is, met zijn meedoogenlooze vernedering daarin, als een stinkend vuur, de nachtelijke ruimte in slingeren en henzelf alleen, genezen, achterlaten. Want Jacobson heeft zijn met vreeselijke inspanning op zijn tegenzin veroverde beweging, wel gezien; maar hij geeft nu ook noch blik noch gebaar terug. En Eli mag met zijn gezicht, dat met het vlamrood van de schaamte is volgeloopen, blijven zitten, alsof hij een van de kommetjes of schoteltjes was, zoo volkomen buiten tel.
Hij kan vadcr’s vriendelijkheid niet meer waardeeren, als die zegt: „Hij heeft geen erg inje; je hadt naar ’m toe kunnen gaan; maar affijn, dat is ook weer te veel drukte, nou laat maar.”
Hij krijgt een stukje bitteren weerzin tegen vader’s lust om elke ondervonden beleediging altijd voor den dader te vergoelijken.
Maar daar gaat de hooge baas, die maar zelden op de bijeenkomsten verschijnt, op de tafel tikken, en in de gehoorzaam gegeven stilte, begint hij te spreken: keurig, en gewend, en hoovaardig. Eli voelt, hoe de Macht waar hij tegen aan vecht zonder ze te kunnen treffen, zijn minachting verzwakt en zijn verzet doet lauwen, al komt, vanuit zijn hart, hij tegen zijn eigen gewaarwording in opstand.
De Hooge Baas prijst Rabbi Meijer die zoo zeldzaam prachtig vóórgaat; die de uitgesproken woorden door zijn klem zoo de volle betcekenis geeft, en in weerwil van zijn leeftijd zoo als een volmaakt jeugdig Rabbijn de bijeenkomst als het ware in de hand heeft en bezielt. Hij zegt dat hij er zeker van is, den dank te mogen overbrengen van allen die niet tegen het kleine offer hebben opgezien om hier te komen; dat het hem spijt dat zooveel plaatsen onbezet bleven, „al is dat,” zegt hij, „helaas aan de tafel van de ververschingcn niet zoozeer te merken.” Hierop schieten alle arme mannetjes in een onderworpen brul; maar de Hooge Baas, vol minachting, vertrekt geen spier van zijn langen deftigen grijs-omzetten kalfskop, en
320