dichte zilte lijfslucht uit die herinnering naar zijn keel dringt. Hij moet daaraan denken omdat hij het woord Jytser van de jongens thuis gehoord heeft, in de beteeke-nis van vleeschelijken lust. Heeft-ie het gewild, dat met Hanna? Nee, hij kwam er op af, toen de jongens met haar bezig waren. Maar hij heeft er toch aan meegedaan, en het is of het iets was dat niet zoo vreemd aan hem kon zijn: het grijpt naar zijn zelf, het zoekt naar iets dat ook in hem is, om het sterk te maken tegen hem.
Hij kwam er op af, in het kleine kamertje waar de bedstee is, en hij stuitte er op. De jongens, eerst geschrokken, waar zij om haar heen stonden haar te bekijken, roepen hem naderbij; hij mag ook kijken. Uit puur medeleven met hun schaamte doet hij een paar stappen verder het kamertje in. „Toe maar,” grinniken zij verlegen, en hij kan niet nalaten Hanna en hen nog meer te naderen; daar komt de nieuwsgierigheid over hem naar dit geheimzinnige dat door de gretigheid van de jongens, door de zalvende gevleidheid waarmee het meisje die ondergaat, zoo groote waarde krijgt. En eindelijk slaat iets van den zwoclen vleeschlust der anderen in hem uit, als hij vlak voor alles staat: Hanna die, vadzig en gevierd, languit, haar duistere schatten toont, en de jongens, op wier aandrang het gebeurt, met gevlamde gezichten en droge kelen.
Bedremmeld loopt hij weer achteruit, en als hij de kamer heeft verlaten, is hun bezwering, het niet aan vader of moeder te vertellen, overbodig. Want hij weet zich schuldig en in zijn bloed getroffen; hij is niet buiten hun neerslaande onbevrijde iustwekking gebleven.
Jytser Horang, dat is het, en lijkt het nu niet alsof meneer Meijer met het aan te raken, toont ervan te weten, of er aan denkt dat het mogelijk is?
Hij zegt weer een eindje de Psalmen mee; meneer Meijer een regel; de anderen samen een regel; het gaat luid, vrij-op, alsof het middag was. Vader staat stilletjes op om water op het gas te zetten, zoetjesaan, voor de koffie straks. Een blik naar Jacobson: geen teeken van verklaring voor zijn onrust-wekkendc onvriendelijkheid. Trouwens, Eli en meneer Meijer hebben samen ook een
i r>