Vader kijkt nog steeds verschrikt om de koelheid van Jozef Jacobson, en er is ook iets in het aarzelen geweest van meneer Meijer dat hem niet ontgaan is en dat hem verontrust.
„Brrr! Boe-oe!” roept hij den Gazzen om zijn afstraffing spottend na; hij doet het eigenlijk maar om zich zelf te herstellen. Maar wat weet hij het weer goed buiten zich te zetten: „Wel een beetje véél, èrg veel kapsooncs op zijn lijf af en toe, die eigenste gazzen,” mompelt hij goedig spottend voor zich heen, „klein beetje kouwe drukkie schijnt er wel zoo bij te pas te komen; nou affijn.”
Eli weet dat Vader ongelijk heeft; hij vond het afschuwelijk: „Leert-ie goed meneer?” Maar is het niet waar dat-ie nu weer om vader moet lachen? En de pijn vergeten kan ?
Jytscr Horang: de kwade hartstocht.
Zij tweeën gaan nu ook aan de tafels zitten, achteraan, dat wil zeggen, het dichtst bij het trapje, en dus bij hun dienst. Hij voelt daar een beetje angst en vernedering in bij vader, want zoo doet Vader gewoonlijk niet; hij neemt altijd aan de plechtigheden zijn volle deel, in zijn volle waardigheid als lid van de Gewwrc en de gemeente. Hij voelt heel goed dat Vader niet op zijn gemak is; Vader kijkt nog eens even rond naar de gezichten van de beide Jacobsons, en van oome Herman, en mompelt wat voor zich heen; dan gaat hij als gewoonlijk, luid-op in het koor van de anderen den beurtzang meeroepen in de Psalmen: meneer Meijer een regel: de anderen een regel, en zoo Psalm na Psalm; een krinkelfiguurtje als een kur-ketrekkertje omlaag, bij elk slot.
Vader tikt al gauw op zijn tefille naar hem: „Mmmm? ook meedoen!” maant hij schertsend; en Eli zet weer in; maar hij is er niet bij. Hij denkt over de Jytscr Horang; de Kwade Hartstocht, die nog niet op zijn wangen zit. De Kwade Hartstocht, de wilde boosheid van slechte menschen; zij doen graag kwaad, allerlei kwaad; allerlei slechts, aan en tusschcn de menschen, als steken in het rond. Maar het is toch ook nog wat anders, veel dichterbij: Jytser Horang. Als zijn zockgevoclens zakken, als in een trechter scherp nccr-mondend, zoo, dan is het of een
314