zijn blik glijdt nu langs dc andere gezichten. En heel stil, heelemaal toegedekt verborgen, gaat de gedachte in hem om: van al die huiden op die gezichten, van al die oogen en gestalten en die stemmen, houdt hij. Hij houdt van de menschen. Allemaal kan hij ze niet aanraken; maar zoo om ze heen, zou hij een aai-beweging kunnen maken. Ja, hij houdt ontzettend van de menschen.
Echt voor de gazzen: nu komt hij pas, met zijn zwart en wit, op het trapje staan, naar hen toegekeerd. „Goeien-avond.”
„Goeien-avond, meneer.”
Hij is altijd vriendelijk tegen vader, maar hij weet precies, hoever-ie gaan moet. Vader is wel rond; hij redt zich er altijd wel lekker door, als-ie even mis is geweest. Maar hij kan toch wel heel ver uit dc maat komen, Vader...
De gazzen loopt nu even het trapje op, en keert zich naar vader, en keert zich weer af. Het is, of hij iets heeft willen zeggen, maar het weer opgaf.
Weer bedenkt hij zich, en opeens: „Zóó! Jonge!”
Daar staat hij bij Eli, en streelt waarachtig zijn wang. Eli is vuurrood geworden; want het is bijna te veel.
„Het is nog zacht, meneer, daar.” (Vader).
„Ja,” zegt Meijer vriendelijk, „de Jytser Horang zit nog niet op de wangen,” en tot hem: „Je weet toch wel wat Jytser Horang is?”
Hij antwoordt met de oogen en een stukje knik. Geen woord over zijn lippen.
„Leert-icgoed,meneer?” (Een samentrekkingvanvlucht, in Eli, tot een volle pijn.)
„Dat weet ik niet,” zegt de Gazzen kortaf. Hij kijkt Eli aan en loopt weg.
Zou hij het weten? Nee, dat weet hij niet: hoe ’n pijn vader hem daarmee doet, hoe ondraaglijk die pijn is, om die afschuwelijke vraag van vader, op dit oogenblik. O, dat kan vader; met zulke dingen tot anderen, kletspraatjes te onpas, misbruik maken van een vriendelijkheid, en hèm ermee bezeeren; en er niets van weten! Dat kan hij, net als soms dc jongens; maar vader nog veel erger. Nu is hij weer verschrikkelijk. Vader...
3*3