met dat vieze van een hangbaard. Gelukkig heeft vader dat ook niet. En meneer Meijer is altijd zoo schoon, met zijn hagelwitte front en stropdas bij wijze van boord, op zijn „alterwetsj” nog. Kwiek, altijd vlug van beweging, en kaarsrecht; zijn stem is prettig, flink, en er is iets lekker smakelijks aan zijn doen: „Niks geen scntimenteele smerige kunsten of opera-comedie-gehuilebalk of zulk soort van buitenmodelsch gedonderjaag alzoo meer”, zegt vader, „en toch evenw'els kan-ie, als-ie wil, als-iehet op de botten heeft, bij een gelegenheid woorden vinden, nee maar écht! van die uitdrukkingen en van die uitvallen dat het je regelrecht zoo door de knieën heengaat.”
Juist, vindt Eli, dat is zoo; dat-ie zoo echt gewoon kan doen, zoo iets van vader zelf. Iets. Hij doet wel in Sjoel van die tierelantijnen, maar dat vindt Eli fijn, en daar is toch ook iets zakelijks in, dat-ie daar zoo heelemaal is, zooals-ie zijn moet, of zooals je hem daar verwachten kunt. Buiten de Sjoel, en vooral op straat, een echte meneer toch; op straat, voor de anderen, voor de christenen, weet hij zich te gedragen; weet hij, vindt Eli eigenlijk onbewust, zich te verbergen. Want hij vindt, en hij vindt noodig, dat het maar verberging is van het eigen binnenste pleizier, dat daarbuiten niet begrepen wordt.
Zoo denkt hij over meneer Meijer, de Gazzcn, en de Leeraar, die mal kan doen op Jodenschool, mesjoggene sprongen kan maken en allemaal getreiterde woede-uit-vallen naar de kinderen, dan weer vriendelijk is, omdat hij het toch niet kwaad meent, en nooit zoo kletst over de plichten van den godsdienst ofje merkt een beetje dat prettig-zakelijke ervan, alsof-ie, duidelijk genoeg, een hekel heeft aan preekerij.
Hij is een beetje van Eli, meneer Meijer, en dan heeft hij verder veel van een meneer, van het afgeslotene; het strenge; het hoofdomwenden bij alles wat kinderachtig wordt. Dat is het andere, en tot dat andere gaat, uit Eli’s chaos, een rijke glimlach naar meneer Meijer. Ja, hij heeft iets liefs, Eli, o, heel uit de verte, voor meneer Meijer. O, zoo heel uit de verte. Hij staat tegen de tafel, en kijkt het trapje af naar de schoolzaal met de mannen aan de tafels voor de boekjes die opengeslagen liggen; en
312