geen letter of cijfer meer geleerd en hij begrijpt veel minder; maar hij heeft een beetje geld verdiend, want hij is veel sluwer, en hij heeft minachting voor Jankef’s armoede, en een beetje stille angst voor zijn levendigheid, zijn ernst en zijn scherpte. Hij houdt zich in de ruimte in zijn gezicht, en hoont hem achter zijn rug. Nu is hij bestuurder van de Gewwre en zelfs van de Sjoel geworden; vader heeft niet veel met hem te maken, maar hij weet, dat Herman hem in zijn hart wat graag zou wippen, omdat vader hem ontwijkt, waar Herman hem zoekt te vernederen.
Dat alles weet Eli niet precies in vcrwoorde-gedachten; maar hij weet het; uit de kleine gebeurtenissen, en de scherpe verklaringen die vader ervan gaf: Jankefkcnt zijn vijanden, al kan hij ze niet onschadelijk maken.
De penningmeester, meneer Jacobson, Jozef, is ook al met zijn korte lijf op het trapje gewipt en heeft kortaf gevraagd :
„Alles in orde?”
Kortaf, vindt vader, en Eli ook.
„Die is bijs,” (kwaad), zegt vader, „waarom, dat weet ik niet. Nou, ook ’n zorg, zal wel aan den dag komen, breng maar de sigaren, Eli,” zegt hij, een beetje achter adem. En met zoekende grootc oogen naar Jacobson die bij den kaalkop van den president, zijn deftigen neef, is gaan zitten.
„Of, nee, nee!” Als Eli het gauw wil gaan doen. „Nee, geef maar hier, laat ik het zelf maar doen: maar in de puntjes wezen, want er is wat loos. Wat weet ik niet, maar heelemaal zuiver op de graat, is het niet.”
Hij gaat met de sigaren naar binnen, en krijgt, op een vraag aan Jaconson, een korten knik, en zet de kistjes neer. Daarna komt hij terug bij Eli, en blijft zwijgend staan. Er is nu een voller geroes van stemmen in het lokaal; er zijn een dertig mannen, genoeg gelukkig, om het voor Eli een beetje vol te maken; maar het zijn er toch maar de helft van die er hadden kunnen zijn.
Het wachten is op de Gazzen. Daar komt hij, meneer Meijer, van boven, van zijn prachtige woning van de Gemeente. Elij is grijs, maar zoo prettig kort grijs, niet