teekende gezicht, dat met scheef-gesloten mond en schee-ve wenkbrauwen en kleine oogen van inspanning, van niets anders vervuld schijnt te zijn dan van die moeite om zich langer te maken dan hij is. En waarom? Toen-ie het eens tot vader zei, lachte die: „Dat is de drang naar Kodcsch Borrege!” (God). Voor Eli komt het precies uit in zijn stem. Want als hij spreekt, is het een hoog geknepen geluid, en dat stijgt, in eiken volzin, hooger en hooger bij elk woord, tot het slot eenvoudig in den hoogsten klank van de keel eruit gesmeten wordt, heelemaal alsof hij het uit zijn teenen haalt en pijnlijk door den kop heen, met een laatste samenpersing van de hersenen, voor je neerslingert. Hij knikt eerst gemoedelijk met gesloten mond en een oogsluiten tot Jankef. Dan tot Eli, terwijl hij gaat zitten:
„Niet naar bed jongetjeée ?”
Eli kan niet veel antwoorden, hoewel hij het heerlijk vindt. Want ja, wat had Brammetje Kalf nu wel fijner kunnen zeggen dan: ben je niet naar bed? Nee, hij is om de bliksem niet naar bed; anders wel, en alle anderen nu ook wel, maar hij nu eens niet! En hij mag, onder dit licht, Abrammctje Kalf bekijken en over hem mijmeren, zooals hij daar nu gaat zitten, met zijn kostelijk Prikke-been-smoel, dat hij eens bij Godard gezien heeft:
„Lieve zuster Ursula,
Ik ga naar Amerika!”
(fijn, een echt boek was dat: nooit kreeg hij zooiets in zijn bezit) en zijn trekken die één enkele levende hooge noot lijken, zooals-ie trouwens hem ook eenmaal in een koortje op het tooneel van een Poericmfeest heeft zien staan, en zooals hij hem eiken Sjabbesmiddag als eeuwige zoekende vrijer op het pleintje bij de brug ziet staan, uren lang, de handen op zijn rug, en iedereen en alles, mannen en vrouwen en karren rustig voorbij ziet gaan, terwijl je je toch afvraagt of hij wel iets merkt van wat hem passeert ?
„Vijfentwintig jaar lang,” zegt vader, „staat hij daar zoo, Abrammctje, lang en dun en leelijk, altijd maar alsof-ie mirakels verbaasd is, en hij ziet alle sjikses en alle
308