„Nou stil maar, stil maar,” zegt Mau, die het maar half gemeend heeft.
„De móót!” schreeuwt de Fietse, „ik ben de móót! ik ben de haring! godverdomme, ze hebben mijn de haring gemaakt!”
„Ja,” zegt Jankef knikkend, „en zoo is het. En wat wou je d’r nou tegen doen ? niks an te doen. Een vette moot haring,” lacht hij.
„Ze hebben mijn godverdomme de sigaar gemaakt! Dat schijthuis! hier! meneer van der Kamp,” roept hij tot Jankef, steeds worstelend tegen zijn maats die hem houden, „van de segarenfebriek!”
„Hè-je gedaan gekregen?”
„Omda’k godverdomme pertaal ben geweest, zegt-ie! die gofferdommesche gehakbal! En nou gaan ’k voor me moeder, gaan ’k met de zwartjes vechten. En de ouwe vrouw die eb ik een mooi winkeltje gegeven voor de centen, en ikke! hier! gofferdomme, hier zitten ze! — Hij heeft me deruitgedonderd gofferdomme omdat ’k pertaal ben geweest. Je bent pertaal, zegt-ie. Ben ik pertaal, gofferdomme? Hier! (hij wijst naar Mau en Lea en Han-na en het laatst, met beslistheid, naar Eli) hij kent mijn, hij kent mijn, godverdomme. Ben ik pertaal?”
Eli hoofdschudt stil-verschrikt ontkennend; de omstanders lachen, en de Fietse valt in zijn drank-verdofling terug, en vloekt. Dan weer naar voren tot Jankef: „Hij heeft mijn d’r uit gegooid gofferdomme omdat ik pertaal ben, zegt-ie, die witte schijtflodder.”
„Wat zei je tegen ’m?”
„Niks gofferdomme! niks! niks!” Het is of hij bijna huilt, zijn kop onder zijn grooten, met blauwe stof overtrokken helm alsof hij voor een open vuur staat. Zijn oogjes gloeien als in koorts.
„Je mag niet zooveel zeggen,” zegt Jankef, „en in dienst ook niet, jonge, daar mag je ook maar een klein beetje zeggen. Pas maar op.”
„Maar nou wel!” roept de Fietse woedend. Hij zwaait met één losgeworsteldcn arm rond en waggelt een paar pas achteruit van inspanning:
„Nou zeg ik alles, gofferdomme!” brult hij, „noii zeg ik
303