Maar een van de anderen moet ook een groeps- en gelegenheidslied aangeven, en alsof het een omzetting van de stemming naar de uitlcving van het oogenblik is, en ook een herinnering voor den gastheer, begint hij snel (en de Fietse volgt, eerst een beetje gedwee):
„En bij vrouw van Gaa-lün!
Daar ken-je-ze aa-lün!
Daar schenken zij ze groot,
Daar drinken wij ons dood;
Bij vrouw van Gaa-lün!
Daar ken-je-ze aalün,
Daar leggen wij zoolang wij ken betaa-lün!”
En een ander, opdat zij zich aan het zingen kunnen vasthouden:
„Adieu, wij moe-oeten —
Ellekander groe-oeten,
Adieu vaarwe-èl —
Tot wéé-héé-héé-der -ziens!”
Bek-af staat de Fietse, zijn vlam-hittig kopje vooruithangend, alsof hij gestropt wordt, tusschen zijn vrienden die zijn kwellers schijnen.
„Leefmans!” roept hij weer.
„Dood-goule,” (dood-ziek) zegt Jankef zacht tot Hanna en Jetje, die buiten zijn gekomen, en bij hem blijven staan.
„Jet!” roept de koloniaal, „vanavond ben ik weer kom-pabcl hoor! dan kom ik! Centen op zak,” grijnst hij, en zachter grinnikend naar het meisje, „Hè-hè, nóu he’k een slokkie op, hè?”
„Eentje maar,” zegt vader tot het meisje, „blijf maar staan, hij heeft een beste dronk, geen kwaad sjallef.”
De Fietse ziet hen praten en nu wringt hij zich losser naar voren tot vlak bij Jankef, de anderen steeds aan hem vast: „Ik lust er wel eentje,” zegt Mau verlegen lachend tot Vader, „waarom? hij geeft weg.”
„Je zult wel goochemer wezen,” zegt Jankef, „komt niks van in hoor, geen druppeltje ook niet, die kunsten.”
302