„Kom öp!” roept de Fietse, „allah! kom mee!”
„Zouen we durreven?” vraagt de brutaalste.
„Ikke niet hoor,” doet de ander preutsch, nu het er op aan komt mee in de kroeg te gaan; „wat zou de mijne wel zeggen, as-ie me zag. Nou!”
De Fietse is haar al weer vergeten en braakt zijn flarden van uitroepen en zijn schorre vloeken uit, terwijl hij zich met de maats samen heen en weer wiegt op zijn zwakke beenen, alleen nog maar overeind door de haken van hun omstrengelende armen. Daar hecht zijn steunzoekende blik zich aan de figuur van Jankef; hij wil zich los maken, maar de anderen grijpen vast; zij moeten mee voor zijn veiligheid en hun eigene, en zoo waggelen en botsen zij samen de stoep af en een eindweegs de straatbreedte over naar Jankef toe. Hij loopt niet weg, Vader; hij doet zelfs een paar passen naar hen toe.
„Leefmans! Leefmans!”
„Jawel jongens. Jawel, present.”
„Present godferdomme,” roept de Fietse, en doet een poging om te salueeren, „Leefmans! ga mee! hier! eentje koopen!”
„Eentje koopen ? Nee — héé,” lacht Jankef, „dank je wel vriendelijk jong. Wat is d’r nou an de hand ? hèj doorgezet naar Harderwijk? Ga je naar de Oost?”
„Naar de Hóóst!” perst de Fietse er uit. Hij steekt zijn hand een eindje op, en grijnst naar zijn als vastgegroeide gasten, en alsof het een zoete plechtigheid is, zingt hij voor, zoodat de anderen dadelijk volgen:
„Véél liever Véél liever
Zes jaartjes in het veld,
Als te leven,
Als te leven,
Eén hüürtje zonder geld;
En we leven zoolang als’t op is, as’t op is, as’t óp is!
En we leven zoolang als’t op is,
Als’t óp is, is’t gedaan!”
3°!