zelend, dan gretiger, komen de kinderen, dan de grootere jongens en meisjes nader; ook Jansie Beyer met haar gele pikhaar en haar ontstoken oogen in haar witte gezicht, voor Eli heel natuurlijk omdat hij haar eenmaal die kamerpot in dien emmer voor de vaat zag omspoelen; eindelijk de jongere getrouwde vrouwen, op spel belust. Want hier is weelde die trekt. In het midden van het klitje dronken zangers, zijn hals heel en al omstrengeld door de armen der anderen, hangt de tracteerder in zijn boeiend koloniale pak: het is de Fietse, zijn kleine kopje, dat rood verhit staat, armoedig onder zijn kolossalen, aan voor en achterzijde ver overkappenden helm; zijn oogjes klein van drank, glunderen onnoozel naar de anderen terug, terwijl zij alsof het volkomen toepasselijk was, zingen:
„O, margarien, jij nagemaakte boter!
O, margarien, een pond kost maar drie stooter!
O, margarien! jouw smaak die is zoo zoet,
Als je der maar steeds een groote kijl bij doet.”
„Nee!” roept plotseling de Fietse, alsof hij zoo geen waar voor zijn geld krijgt, „nee, godverdomme: Op naar Lombok...”
En de volgefoven maats, alsof zij nog een besef hadden van het „wiens wijn men drinkt, wiens lied men zingt”, en van de behoorlijke toegeeflijkheid jegens den maat wiens afscheid zij vieren, zetten onmiddellijk in:
„Hóp naar Lombok, laat de vijand komen,
Hop naar Lombok, wil de vijand toonen,
Hop naar Lombok, laat de vijand zien!
Dat wij zijn voor Neerland’s vlag en Wilhellemien!”
Er zwelt een hoeraatje, en een paar bleeke jonge vrouwtjes, die voordat de man om twaalf uur thuis komt, wat wagen durven, zwaaien met haar armen: „Fietse, hou je taai, hoor! Fietse!”
„Alles kits godferdomme,” bulkt de Fietse, steeds met zijn verstijfden lach in zijn kopje als vuurgloed. „Tracteer-ie vandage?”
300