Zachter, één met stilte en roei-plons, Mau:
„Louloone. Losz begijen.” (Niet doen. Laat ’m nou met rust).
Weer onder de brug door, en het verrassend uitschieten in de ruimte daarna. Weer de wereld van waterbodem en oevers met bcschemerde gedaanten die naar hem toe schijnen te schuiven. En rondom, om zijn zich leggend gevechtsrumocr, de bettende koelte van de nachtlucht, die met zijn stil-suizcnde werkzaamheid, geen ander doel schijnt toegewezen. Zoo zuiver verloopt vanavond alles, dat, wanneer zij zwenken, bruggetje en kade hen kalm schijnt tot zich te trekken, en de bouwseltjes en heel de kleine eigendunkelijke geest van het stadje, als bij eigen kinderen, zich pruttelend over de inzuiging van het bootje schijnt te verstaan. Stil achter elkaar aan wal; alles slaapt. „Morgen wel afrekenen,” de jongens. Nog altijd zwijgt hij, en doet hij hen zwijgen, al voelen zij niet zulk een zwaren tegendruk tot hun babbeltjes meer als bij het heengaan. Hebben zij het ook gevoeld dat er wel iets in hem veranderd is?
„Goed geweest? Hè?”
Hij knikt.
„Hand.”
Hij geeft ze even, maakt ze na een oogenblik langzaam weer los.
Het kadc-tje af; de brug voorbij, waarover hij vanmorgen naar den dijk, en naar tante Martha ging.
Het hol-stille straatje in. Een buurman in een deuropening, met het aardige, levende vuur van een sigaar. „Avend, Mulder.”
„Avend, Leefmans.”
Plotseling weet hij hoe heerlijk het vanavond geweest is. De warmte van de blije dankbaarheid, golft in hem omhoog.
„Nou. Ga’j ook mee naar binnen?”
Hij pakt Mau, dan Hartog, bij den arm, en geeft hen elk een zoen op de wang. Zij lachen zacht. Zoeken elkaar’s blik in het licht van de straatlantaarn.
297