orde,” had vader gezegd; „je bent nou ook geendrie-t-entwintig-meer,” zei hij in haar landstaal schertsend, „en het doet mien best pleizier dat er ginder op de Hei ook nog wel ’s geprakkiseerd wordt.”
Zij had stil gelachen, en Eli zag dat zij vader aardig vond: hij was het met haar eens; hij vond vader ook aardig, en hen allebei, en alles.
Nu ziet hij weer zoo iets van haar, zoo’n heerlijke beweging, en hij droomt weg in den zomer. De droom gaat om de vrouw heen; hij brengt vreugde; hij slaat verrukking uit, van den bodem uit waar zij staat; flits! flits! opzwiepend en opbliksemend, als raketten, naar de lucht, in een lichtspatting: Geluk.
Tante Martha ziet het, en wenkt naar oome Simon: „Rooien” (kijk) zegt zij, „die goolemt daar.”
„Mirakels Jeeled (kind),” zegt oome Simon. „Nou, ik zal je even een stukkie vleesch geven.”
Hij loopt op haar toe, en gniffelt met zijn kleine begroeide heete gulzige koppetje tot haar. Iets van „vanavond.” Tante Martha fronst, en duwt hem weg.
„Nou, waarom?” Simon schor van zwakke bestraftheid, en een snellen blik naar Eli waarin een steekje kregelheid, „mag men dat dan niet zeggen? tegen zijn eigen vrouwgien ?”
Zij wendt zich geërgerd om, en ziet ook naar Eli, en Eli wordt vuurrood.
„Je mag hier wel blijven eten, Eli,” zingt zij, terwijl Oome Simon gaat.
„Nee, dank je wel, tante Martha,” stamelt hij, „Ik moet thuis komen eten.”
„Een stukje, een lapje vleesch?” zegt zij.
Hij wordt nu wit.
„Nee — dankje — tante Martha,” schort hij.
„Nee?”
Het vleesch in de soep ruikt stekend naar hem. Hij is hongerig geworden. Hij knikt zwijgend van neen. Glimlachend, terwijl hij bij den kinderstoel het jongetje groet, knijpt zij hem in de wang.
„Niet een stukje vleesch met een stukje lekkere komkommer van me hebben?” zegt ze nog eens dapper.
286