len, de kleeren te recht schikken, zijn gezicht afvegen, nog eens na-rillen. En nog eens omkijken.
Staat er nog. Gek, die gek; vuil boer-dier, vuil korsterig geboerte. Kent hem natuurlijk niet, heelemaal niet. Hij heeft er toch ook wel vriendelijke: Harm Palland, die tegen vader zei:
„Is dat jongetje van jou, Jankef? Dat jongetje? He-jij dat gemaakt? Nou maar je moest ’m mijn maar sturen, ik wil ’m best thuis hebben; hij zal ’t goed beleven.”
Die zou dan toch zeker wel dulden dat hij eens in zijn gras lag? Of ook misschien nog niet?
Maar het zijn dan ook pestlui. „Gefitst,” zegt vader, „honden.” Nog eens omkijken. O, omdat-ie daar even zoo fijn ligt: de greep! Hè, dat je geen pistool hadt, hè? Een pistooltje uit je zak, en kalm op hem aanleggen als-ie met de greep durft komen; en dan heel kalm kapot schieten, dat vuil. O, omdat je daar ligt!
In het herstel, in de ontspanning, wordt het bijna huilen met hem; hij kijkt naar een bank in het plantsoen, maar hij durft nog niet goed hier blijven. Loopt door tot hij goed en wel in de straat is; hier is pas volkomen veiligheid. De boer zou kunnen komen; tusschen de burgers weet hij zich tegen geweld van zijn vieze boeren-beesten-lijf stellig beschermd. Het beeld van de rivier is voor-loopig in de verwarring onzichtbaar verscholen; hij doet zelfs geen moeite het te vinden; wat nu blijft is enkel het bitter gevoel van vernedering, van deze beleediging van iets dat hij onfeilbaar goed in zich weet. En hij gaat de straat in; hier is de stad, hier is toch, in tegenstelling met die haat van het boergedierte, een stukje vertrouwdheid althans met de menschen. Hij voelt het sterk aan den man met de kersen-kar, die zijn lichtend-roode waar zoo bekend heerlijk donker zingend de huizen in roept:
„Ik heb mooie rijpe ker-sen,
Drie stuivers een pó-ó-ónd!
Eet je bui-kje maar rond;
Ze zijné ge-zond;
Drie stuivers een pó-ond!”
282