genezing van zon, stilte, en verfrisschend bewegend water.
„Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob,
Uw woningen, Israël...”
zoo brengt hem zijn herinnering voor dit lichamelijk ervaren :
„Als valleien uitgestrekt gelegen,
Als hoven aan de rivier,
Als aloe’s door den Eeuwige geplant;
Als cederen aan het water.”
Zoo wordt het beeld van het landschap nu opgenomen en in het zijne verwerkt; hij slaat er het mengsel in van een troebeler, maar bclofte-voller menschelijk leven, en spant er de eenige idealiteit doorheen, die hij kent.
„En de kinderen Israëls werden vruchtbaar; zij hadden vele kinderen; zij vermenigvuldigden zich en werden uitermate machtig, en het land werd vervuld van hen.” „Talrijk, gelijk gezegd is: Ik heb U tot tienduizenden doen groeien, als het veldgewas. Gij vermeerderdet U; Gij werd groot en vol luister. De boezem werd vol, Uw haren golvend, terwijl Gij te voren naakt, en één en al naakt waart.”
Zacht stijgend danst nu de steeds verrassende wereld van licht en water en tot aan den verren hemel opliggend groen vóór hem. Het is nog eens nieuw voor hem; het heeft een nieuwe eigen warmte gekregen; rood is er in van het eigen brandende jagende, smachtende bloed; het staat en heft zich feestelijk vóór hem, als het verrukkelijke, lieflijkst denkbare leven zelf.
280