van het leven zelf; het is wat het leven moest zijn, en een wonder schijnt.
Die dankbaar vastgehouden ontdekking brengt verbinding tusschen hem en het visioen van licht en breede liefelijkheid; het geluksgevoel stijgt met de stijging in landschap, rivier en licht; de stijging schijnt zingend te zijn in haar beweging, en de heerlijkheid die de keel doet zwellen, is dat dit alles: stijging, zwelling en muziek, in dezen ontzaglijken koepel van stilte zich voltrekt. Stilte, rijzenis en muziek die naar losbreking spant daarbuiten; stilte en geluidloos lied bij hemzelf, binnen het lichaam: in zijn keel en achter zijn voorhoofd.
De rivier, met zijn glansen en verschietende schitteringen links om het onzichtbare stadje heen wegzwaaiend; rechts langs begroeiden berm en straatweg met boomenwacht stijgend zoo ver hij zien kan, is middelpunt en vangvlak van dit licht; weiden, dieren, greepjes huizen, hoven en torenstandjes staan er in een zegening meebestroomd. De boot naar Amsterdam komt rechts opzetten, dijdtaan en glijdt het groote middenvlak op, klein in die enorme bezonde strekking van water en landouwen; haar geluid schijnt maar een zucht van snijding en een zacht gekabbel. Maar als zij om den linkschen hoek verdwenen is, schijnt toch de stilte zich te herstellen, en opnieuw voluit te wiegelen, in een schitterend, beweeglijk evenwicht, dat naar alle zijden de wereld schijnt te doordringen. Eli proeft nu als in zijn mond den smaak van dezen levenden stralenden vrede vóór hem; hij wordt er de heerlijke werkelijkheid van gewaar; hij voelt er de zachtschuddende wekking van in zijn lichaam, alsof de zon hem schoon warmde, alsof het water met zijn milden koeltc-geest de uiterste frischheid en naar daden hijgende prikkeling in hem opjoeg. „Aan het water,” denkt hij, „ja, aan het water is het wel het heerlijkst te leven.” Hij voelt verbinding van het als wonder aanschouwde en zijn begeerens-waardigheid voor de jaren, en hij vindt nog geen ander verband dan wat hij in zijn beperkte veredeling heeft leeren kennen.
„Aan het water,” ja; het diepe vertrouwde leven met de menschen binnen in het huis; daarbuiten de vervoerende
279