figuurtje; anders niets in den stillen, breeden, zacht over-ruischten straatweg.
Tegen den begroeiden dijk opklimmen; het gras is hoog en zacht, vol paarsen klaver. Aan den anderen berm, voor de rivier, gaat hij liggen. Hij ligt languit; een groote boom achter hem draagt zijn hoogen tros over zijn plekje heen, en zet het in de schaduw, en waait het koel.
Daar, achter hem en recht boven hem, is nog het gebied van het geluid; van halflicht, lommer en beweging, in de koelte. De tros boven hem drijft allerlei stemmen van zich heen, die, als stroompjes van velerhande lengte en gang in zee, uitmonden in de stilte rondom. Hoe velerlei stemmen. Het is een open, pijnlijk verbaasd klagen dat zich weer sluit; een zachte woede-gier die in zijn her-komst-opening schijnt terug te glijden; een koortsig fluisteren; eenzelvige mompeling die redeloos verstilt; een kort, driftig, morrend roepen dat neerspringt in de ontplooiing van een heete zucht; en koppige dreigingen, gevolgd door schuldeloos, rijp, maar bijna liefelijk gelispel, alsof een ijl en sober schuifelspcl louter den levensmaat duidt van den boom.
En achter de straatweg-laan waar wei- en bouwland zijn, komen en gaan nog scherper geluiden: de piep en de schorre grom van een koe, het krassen van een kar in de verte, een menschenstem als in nevelen, en het verloren gebas van een hond.
Niets daarvan hier vóór hem: geluid, beweging noch schaduw. Hier vóór hem, plotseling, tegen den horizon op, een wijd open wereld van licht en stilte; glanzend en schitterend licht over de nauwelijks bewegende rivier en de weide-vlakte aan den overkant; en volle stilte aan alle zijden daarover, onder een nevelig blauwen zomerhemel die het tot den einder toe omvat houdt, en dompelt in zijn beddende en lichtende warmte.
De rivier is breed, de overkant zoo ver dat hij vaag is; de koeien zijn kleine, gespikkelde en reine diertjes; het land daarachter is wijd en onbezet naar alle kanten; hij zit er bovenuit, hij ziet het zachtjes stijgen naar den horizon. Het is verrassend en ongeloofelijk; het is vreemd ennieuw en toch bekend; het is van het leven gescheiden en toch
278