Bosch en hei met stadjes en dorpjes, waar hij eens een enkele, een visschersplaatsje aan de Zuiderzee, van gezien heeft, denkt Eli zich daarginds; en het is of Jole’s bruid, die groote blanke rossige, met haar prachtige naie-viteit, en tante Martha die beiden uit die „Mediene” komen, zoo hier met hun bruigoms zijn binnen getrokken, toen zij van hun ouders door de jonge mannen werden weggehaald.
De rivier stroomt, achter deze straat, langs smakelijke levende achtertuinen en plaatsen vol afdanksels, en oude pakhuizen door hekken afgezet, om de stad heen, en wordt ginds buiten, het plantsoen dwars over, weer ontmoet, in al zijn breedheid en kalme spoeding, en tus-schen de volle wijde landelijkheid van zijn enorme, zuivere vee-bestippelde weilanden.
Eli heeft wel zin bij tante Martha binnen te gaan. Maar hij durft geen goed geluk verwachten nu. En dus loopt hij door: misschien straks op den terugweg? belooft hij zich onzeker. Het is vacantie: thuis wordt niet zoo vroeg gegeten; hij heeft nog heerlijk veel tijd.
Aan het eind van de straat weer een stukje havenkom met een paar schepen; een lage breede steenen borstwering daarlangs; verderop de rivier; nog heeft hij hem niet. Eerst nog het einde van het plantsoen door, dat langs de hcele stad loopt, en de Burgerschool en het Gymnasium voorbij, de scholen van de rijkste „Kalen”. Weinig menschen; de groote stilte van een zomerochtend schijnt ginds te wachten; zij broeit hem en gloort hem tegemoet.
En eindelijk, nog een paar visschers langs, en de molen met het mooie eenvoudige, lekker goedgeverfde molenaarshuis en een trosje arbeiderswoninkjes daarnaast; een laatste winkeltje waar het stadsgemak al ver schijnt, en daar is de dijk.
Honderd stapjes, en de dijk wordt een kant van den bree-den straatweg; aan beide zijden oude kolossale boomen, die daarboven, langs de stilte van rivier en weiden, rui-schen in een onvermoeden hoogen en zachten wind.
Een karretje komt en rijdt vriendelijk langs; de boer groet met knik van hoofd en zweep; in de verte nog een
277
18