de achterzijde is de bakkerij, schuin tegenover Eli’s huis! daar staat hij, als bij het koffiebranden, af en toe voor de ramen te kijken naar het wonderlijke spel van het be-schuit-bakken; de zachte bol wordt door het groote mes in de handen van den witten bakkersknecht gesneden, en valt in twee nog weeke beschuiten uiteen; hij bedenkt hoe daarna, in den winkel vóór, die plakken als harde brosse beschuiten zullen verschijnen, en hoe niemand denkt aan de gedaante die zij hier hadden. En hoe hij ze hier heeft zien worden; met de wonderlijkheid van een glasraam tusschen hen in: scheiding en toch geen scheiding. Alsof er geen ruzie en geen pijn in het leven was, maar enkel rust en ernst van dat heerlijke tockijken en zien maken. In nog meer geuren van de kleine plekjes, besnuffelt hij het leven van de stad; zooals bij Crost, waar hij die treffende verbinding vindt van twee geuren: zoute visch en sinaasappelen; de warme-landen-adem van de oranje vruchten, op dien bodem van prikkelend maar pittig zout, die de weelde er zoo stevig en geoorloofd aan maakt. De kleine Crost die een Jodenmatroos is geweest, en zijn smalle leelijke groene vrouwtje, zijn kromgegroeid tusschen hun eetwaren, zijn er enkel de dienstbare uit-reikers van; en zoo stijgt, van hun kar en uit hun winkel, en eindelijk ook voor hem van hun gestalte, dat mengsel van geur op, waarin die welriekende verfrisschende kracht van de zuidvrucht de sterkste is, als een bloesem van dagen-geluk.
Rechts loopt nu de gracht langs het uiteinde van zijn woonstraatje; links door een sluisje en een hoekje haven met een paar lichte vrachtscheepjes, naar de rivier. Over de brug komt Eli in het breedc, met zware keien geplaveide brok straat waar Jole woont, en oomc Simon en tante Martha. Vanaf de Veluwe geeft zij toegang tot het stadje, die straat; een echte entree; een voorstad in het klein: met de zeldzaam ruime middenbreedte waar de zon hevig brandt; aan weerszijden, op de breede stoepen, boomen voor de woningen. En hier en daar, aan de puien van de herbergen, in olieverf geschilderde uithangborden de straat ingestoken, met de luidruchtige lokking der nog ruwe, verdachte kinderlijkheid van den buitenman.
276