die hem toelaten, in die kleine vallei van vriéndelijke, warme en toch ernstige bezigheid.
Langzaam maakt hij zich los: het genot van den geur doet hem het huis zoeken, een ander huis. En hij gaat, den straathoek om, onder de linden door, voor de lage huisjes langs het kerkplein, onder de boomen die ’savonds de geheimzinnigheid bezitten van de meikevers te dragen, die hij en de jongens vangen en aan touwtjes houden. Het is eventjes griezelig om dat harde, maar toch onder dat harde zacht levende beest aan te pakken en om dien teeren poot het draadje te lussen:
„Jan pas op, de koffie die kookt, van één, twee, drie!” en: „Mulder, Mulder telt jouw geld En gaat dan maar weer vlie-gün!”
Later in den avond als je weer naar huis gaat, laatje ze toch bijna altijd maar in de boomen zitten, op ééntje na, eenmaal, die je in een doosje gevangen houdt en dan voedt met lindeblad.
Nu even naar het huis van Godard? Met Godard de Vries, van het geleerde slagertje, mag hij van diens vader en de deftige moeder wel eens spelen. Zelfs heeft hij er lang geleden, eens mogen eten, toen de grocn-bleeke Godard met zijn gebogen rug, jarig was. Dat was toen werkelijk wel een fijne dag. Al moest hij zich een beetje erg netjes aan tafel gedragen; hij vond dat rustige, met zijn vieren: Godard, hij, en de vader en moeder, toch ook heerlijk, ’s Morgens hadden zij een beetje gek gedaan, op het plaatsje, waar het broeierig stonk naar het kalf en het schaap die achter het houten plankenhekje op het kleine grasveldje stonden, en die in den middag, later vooral, zoo triestig riepen, net als bij Oome Herman de nuchtere kalveren in de hokken die geslacht moeten worden. O, dat is veel verschrikkelijker; daar wordt je bleek en misselijk van, van dat opgrijpen en op de bebloede banken smakken en raak steken en villen den heclcn dag.
Hier bij Godard de Vries was het triestig, maar stil; er blijft iets meelijwekkends, maar ook iets stils van in je
274