of een van de andere „groote” liederen die zij op school hebben ingestudeerd. Meestal, ook gister, gingen zij in een stevigen regen naar den trein, en van den trein naar huis in een beangstigende bui van stortregen en bliksem en donder, die het laatste glansje van den grooten feestdag weggutste en uiteensloeg. Druipend en rillend, koud en verdrietig komen zij aan de school, waar vader tus-schen een massa andere ontstelde volwassenen met een paraplui staat, en alleen maar kan zeggen:
„Maar gauw naar huis; gauw maar!”
Dat is het ontzettende einde, dat hun kleeren thuis van het natte lijf worden gesleurd en zij vriendelijk, maar zonder eenig blijfsel van hoop of feest, na een hapje opgewarmd eten in bed worden gestuurd.
Dat alles, met zijn spanningen van verwachting, en zijn stukje bereiking, en zijn verslagenheid, is nu weer voor een heel jaar weg; en de herinnering aan de kille natheid van het slot wordt nu weggestoofd door de warme zon in en boven het straatje, en door de hittigheid die het ongelukje met Marie en Moeder en Hanna zoocven in zijn kop heeft gelaten.
Dc groote vraag voor zoo’n heelen open dag is: waarheen ? De straat is als van kinderen schoongeveegd: natuurlijk zijn de jongens naar buiten getrokken: kalmoes halen, of dudels halen, of zwemmen in dc Broeken. Dat alles heeft hij met hen gedaan; dat alles is mislukt. In de herinnering is er van al die tochten niet veel meer over dan de verwachting tegen beter weten in, bij het heengaan; bij het naar huis komen: moeheid, sufheid, sleepen over den stoffigen weg, slenteren en ruzie, of een gevoel van redding als het zonder ruzie is afgeloopen. Als je op den terugweg nog eens even lekker wil gaan liggen, is het: „Hè-be-je nou moej ? van dat beetje loopen? Hè? zeg! jonges! die is moej! van dat endje! — Hè klootzak! van dat endje?”
Zij zijn zelf ook moe, en stoffig; hun schoenen of klompen voelen net zoo zwaar en heet als de jouwe, en hun kleeren slobberen precies zoo om het lijf, en je ziet ze ook scharrelen als jezelf scharrelt: hinkend en sloffend, omdat overal vuil kleeft en kleine wonden prikken. Maar zij
269