een oogenblik aan dat hij zich herinneren kan als een enkele zachte gewaarwording; want zij gaan langs een kasteel, dat, fijn en toch machtig, met zijn weelde van massa’s ramen die een werkelijkheidsdroom van levensgemak doen vermoeden, in de zomersche volheid van zijn verzorgde tuinen staat; op den blanken vijver schuiven witte zwanen; een glanzende boot ligt aan een be-bloemden berm; een dure jachthond heft zijn kop naar hen op, als kende hij het verschil tusschen den rijkdom van zijn huis en de bende kinderen van de schooiers die daar zoo vreemd pratend langs zijn wereld stoffen. Op het veld terug weer gezamenlijk spelen: zakloopen, ring-gooien, eierenloopen; ieder is vermoeid, maar merkt het niet. En als de commissie-heeren komen aanrijden, staan zij allen, onder de boomen, terzij van het groote veld, bijeen te zingen, vóór het vertrek naar den terugtrein. Tegen dien tijd begint het meestal zoo’n beetje te regenen; het begint triestig te worden als het koor van de vijfhonderd kinderen het rijtuig met de commissie-heeren staat toe te zingen in den langzaam verduisterenden dag:
„Wie leert het nachtegaaltje Zijn wonderliefelijk lied ?,
Wie wijst het zonnestraaltje Zijn weg door ’t lucht-ge-bied ?
Wie tooit in ’t woud de boomen,
Geeft vleuglen aan d’ orkaan;
Wie leidt de zware stroomen Hun weg naar d’ o-ce-aan ?
Wie stilt, ontroert de baren Der woest onstuimge zee;
Wie redt ons uit gevaren En deelt zijn vreugd ons mee?
Als w’ onze taak vergeten:
Wie wijst in ons gemoed,
Wie spreekt in ons geweten Van ’s levens hoog-ste-goed... ?
268