kunt het noodig hebben. Hebben ze boterhammen? Ja, men kan toch niet weten? Weet men waar ze terecht komen? Het zijn kinderen! De meesters zullen hun best doen, Jankef, en ze bij zich houen met al hun zorg; en toch kan een kind ontsnappen. God alleen weet alles, en kan alles voorzien.”
Eindelijk, elk plekje aan het lichaam te hevig verzorgd, en elk zakje in de kleeren bezwarend volgepropt, gaan zij van huis, en van school in optocht naar den trein. Langs den weg staat de halve stadsbevolking met kinderen van andere scholen; Eli loopt bij zijn meester en zij merken beiden den jongen uit hun klas op, die niet meemag.
Een jongen die niet meemag! „Hij zal het nou toch wel niet zoo prettig vinden hè?” zegt de lange meester vertrouwelijk tot Eli.
Eli hoofdschudt zwijgend.
„Hè?” zegt de meester.
„Nee.”
Het was of hij van binnen brak, toen dat gister gebeurde: de meester zei: één was er die niet mee mocht, en dat was hij, Hein Lampe, want hij had, in een twist, den meester met zijn klomp geslagen.
Een van die allen, die buitengesloten werd; een van de allerarmsten, uit het Fort, achter den kruittoren, waar het armste Gajes woont.
Hein Lampe had schamper geglimlacht: ,,’t Kan mijn wat schelen,” zei hij, „dan maar niet.”
„Asje ’t volgendejaar kans wil hebben,” zei de meester, „dan zul je me eerst moeten vertellen datje d’r spijt van hebt.”
„Dat doe ik toch niet,” zei de jongen fel opkijkend. „Ze kennen voor mijn part kennen ze barsten met ’r lui Denncnberg, nou.”
„Hij durft hè?” had de meester tot Eli gezegd, die een heele poos zijn lieveling was.
„Hij zegt het maar,” zei Eli, „omdat-ie het zoo naar vindt.”
„Vast niet,” het opstandige pauperkind.
„Jawel.”
„Vast niet.” En zachtjes, met geknepen mond, terwijl hij 266