Het is de tweede dag. Gister was hij met de heele school en de meesters uit, naar de Dennenberg. Groot feest heen; ja dat is nu, terwijl hij daar zoo op de stoep gesmeten staat, wel even of er een holletje in zijn buik wordt voelbaar gemaakt en tegelijk gestreeld: als je denkt dat het niet meer is, van gister. Precies als altijd, altijd weer opnieuw, op school, wanneer hij, tusschen de kinderen in ’s middags, de Jomtof-dagen herdenkt die hem daarbuiten, in den kring van het eigene, en vrij en feestelijk hielden.
In den ochtend, gister, het vroege gewasschen en aangekleed worden met Hanna, om op tijd aan de school te zijn, waar de kinderen zullen wachten, alle met hun Zondagsche pakjes aan. Het kan niet goed genoeg voor moeder: het wasschen niet, en het aankleeden niet. Alsof zij ter keuring gaan, zoo wordt tot het laatste jachtende oogenblik toe, aan de sluitingen van de kleeren, aan de dassen en de strikjes en de haren en pet en hoed gewerkt, opgewonden, omdat alle juffrouwen en alle meesters, en alle rijke heeren van de commissie die ’s middags in een rijtuig met twee paarden komen, de jodenkinderen immers uitzonderlijk zullen monsteren, zoo meent ieder althans thuis, en omdat zij dan boven alles moeten uitblinken, omdat zij dan onder geen voorwaarde de opvallende minsten mogen zijn. Iedereen is er bij, en iedereen werkt aan opschik en uitrusting mee, want in de wanorde is er nooit een voorbereiding; en als zij er is, slaagt zij toch niet.
Vader maakt de boterhammen voor hen klaar, die zij in den trein kunnen noodig hebben, want daarna krijgen zij wel, op het feestterrein, een maaltijdje van brood met eieren en chocolade, maar dat is niet voldoende voor den lieden dag, en men heeft het gevoel of zij de woestijn in trekken: waar in de wereld zal men bereid zijn, arme hongerige kinderen, en misschien verdwaalde, kinderen van hun, met eten, met kleerenreparatie, met bescherming tegen allerlei ongemak en ellende die hen buiten het huis kan treffen, ongeschonden te houden ?
Elke grootere komt met zakjes snoep aan; op het laatst nog tante Fie, hijgend als altijd: „Stop goed bij je! je
265