tegen de volgende maand, als sjammes ook. En nou is dat gebeurd.”
Zij staan allen roerloos.
„Ongelukkige jonge,” zegt Jankef voor zich heen.
„Nou goeie,” zegt Jole, „ik ga; nou weetje ’t. Ik denk misschien weetje ’t niet, het is net een hallef uur geleden is het bekend geworden. Ik hoor ’et van Valsma, de politie-agent.”
„Ja. Het is een beste, beste jonge geweest.”
„Nee, jij denkt er goed over. Je hebt gelijk. Nou goeie. Jonges. Roos,” zegt hij, en maakt zich los van den deurpost en stapt weg. Er is stilte. Na een poosje gaat Jankef zitten, en zegt eindelijk: „Hij is wel braaf, Jole. Wel erg braaf.”
Moeder: „Hij is olef-esjolem (dood), Louis. Maar het had wel mooier kunnen wezen.”
Jankef mompelt: ...„weet altijd wel van die dingen te vinden, waar iemand geen vat op heeft. Dat is advokaten-geficjenecrdigheid. Ja.”
„Zoo?”
„Ja. En toch spreekt men zoo niet over iemand die er niet meer is.”
„Nee?”
„Nee.”
„Zoo.”
„Nee.”
Als Eli in bed ligt, is het donker rondom enkel golven. En in die zwarte golven schommelt, languit, oome Louis, bleek in zijn baard, met zijn groen verschoten petje en zijn ouwe jas, steeds af en aan, op en neer, vlakbij hem. Hij huivert tot diep in zijn lichaam; hij is koud, hij is ziek. Het is er ’s morgens dadelijk weer, en lang nog daarna, steeds, als hij alleen is. Dat blijft snijden. Dat zet zich. En blijft verlies.
Maar als hij een dubbeltje in zijn handen krijgt uit de Bus, kan hij het niet weigeren: een dubbeltje!
En de wereld daarbuiten is zoo machtig.
'7 261