Ook Eli heeft een kille doorhuivering tot in zijn nek, en een heete spanning aan zijn voorhoofd. Vader en Moeder voelen wel verkeerdheid. Maar aan de Bus te denken is voor hen een onmogelijkheid.
Vader en Moeder hebben hun wandelkleeren nog niet uitgetrokken; daar gaat de deur-bel.
„Is Jankef der in ?”
De jongens, na de bus-bewerking, zijn schrikachtig; zij kijken bang om den ganghoek: het is Jole, in zijn huwelijksweek.
„Ik zeg is Vader derin?” Hij kucht.
„Ja wat is er dan?” Jankef gespannen in zijn antwoord. „Jole”, zegt hij stil getroffen. „Ja, kom d’r maar in.”
„Ik wou je wat vertellen.”
„Kom der in — ’t is niet veel goeds wat je te vertellen hebt.”
„Nee.”
„Nou zeg het maar.”
„Je zwager, Louis.”
„Louis? Ja, nou zeg het maar.”
„Hij is weg. Ja. Ze hebben ’m strakkies opgehaald.” „Opgehaald?”
„Ja. Ja, uit het water. Ginder.”
„Uit het water ginder? Jole? Wat zegje?”
„Ja”„Groote God. Uit het water.”
„Uit het water,” herhalen zacht de meisjes.
„Ja. ’t Versjteert mijn ook mijn simge. Hij moet er al meer als drie dagen moet-ie der in gelegen hebben.” Jankef, voor zich heen, verslagen: ,,’k Heb wel gedacht dat het mis zou loopen natuurlijk. Maar zóó...” Hij rilt. Jole: „Hij moet een hoop mezomme (geld) hebben weggemaakt. Van de kille, van de penningmeester. Omdat-ie het niet bij kon springen de laatste tijd, begrijp je wel? nou-ie ook geen sjouget meer heeft kunnen wezen.” „Geld?”
„Ja. Een heel beetje. En is-ie der zoo tusschen komen zitten, dat-ie geen ijtse geen raad meer heeft geweten. En alles kwijt zooas je weet; ze hebben hem opgezegd gehad
260