„Tante Fie? — Godverdomme!” Weer schokken de bezige handen terug van de Bus. Mau grijpt ze en bonst ze op de kast.
„Als ze binnenkomt!” denkt Eli; „ze kan tienmaal op een dag komen; sjimjismeryne! Hij loopt de kamer uit en de gang in.
„Hier! Wat is er! waar ga jij naar toe!”
„Even kijken! naar tante Fie.”
Nu lachen ze tot elkaar door hun bewogenheid heen, om zijn saamhoorige bezorgdheid. Maar hij wordt toch teruggeroepen. „Nee, blijf jij maar hier! Ezra, ga jij kijken. Je waarschuwt hoor, as d’r eentje komt.”
Wéér de Bus van de kast en weer, met de schaar in de gleuf, het schudden, het wanhopige mikkende wippen van de bus-kop naar de tafel. Vijftig cent, tachtig cent, een gulden is het al! Een gulden! Een weelde voor Eli. Een zoete verwondering in hem, dat het scheppen van een gulden geld, bij angst en beroering, toch nog mogelijk is, in deze armoede.
„Een gulden!” zegt Hanna.
„Van de aniejem,” zegt Jetje, ,,’t is een schande.”
„Wij zijn ook aniejem,” zegt Hartog, „wat jij Mau’tje?” Mau’tje wenkt hem een teeken toe, en Hartog, tot Jetje en Hanna: „Alles goed en wel, jullie krijgen ook wat, hoor! Ieder krijgt wat: maar je smoelen in mekaar geslagen met mijn eigen jad, als er een kik over uitkomt, hoor! Tuig van de richel!”
„Ik zal niks zeggen,” zingt Jetje, en gebaart daarbij gracieus met haar heele lijf, „vermasseren doe ik niet; maar ik blijf d’r bij : het is een schandaal. En geld,” zegt zij met de hand aan haar halskettinkje, „wil ik er niet van hebben.”
Ezra nu, van buiten gehold: „Vader en moeder! Weg!” „Weg! Weg!”
Sidderingen, trillingen langs monden, armen en schouders. Een wervel van schrik, en overmachtig-opgelegd snel herstel. De Bus staat alweer op de kast; de monden van de groote jongens staan ironisch gesloten, en er deunt een wijsje uit, terwijl zij zich van het heete centrum verspreiden.
259