niet. In zijn eigen verhoudingen neemt hij niet van den zwakkere; nooit. Maar meestal is het onmogelijk, het valsche kwaad door anderen voor zijn oogen bedreven, te voorkomen: de bruutheid van den aarzelloozen kwaadaardige doet hem altijd bewogen toeschouwer zijn; zijn kracht ligt in het diepe opnemen en het gedenken: hij loopt er mee weg, en leeft er mee. Hier is doorkende nood van de jongens: scherpe, uitschietende, rondgrijpende, ver-reikende verlangens, en geen stukje middel om er welke rust ook maar in te brengen.
Hij ziet het geld: centen, dubbeltjes, die af en toe uit de bus-spleet op de tafel vallen, bij het driftige schudden van Mau of Hartog, terwijl zij de lipjes achter de gleuf pogen te houden met een schaar; en zijn eigen verbazing omdat het dan toch tot hen komt, doet hem hun begeerte begrijpen, die allen tegenzin in het onedele en allen angst voor het gevaar, bij hen verbrandt. De wereld is machtig; er is veel geld.
„Schei uit, jongens! het wordt teveel! verdomme! ho!” roept de magere zenuwachtige Ezra heesch.
„Teveel? Nog geen kwartje!” stil-heftig terug.
„Ja maar als ze komen!”
„Ga dan kijken! Jij! toe Mau, de schaar! zoo! hoogerop! Recht!”
Zij schudden met korte, voorzichtig-begeerige rukken. Centen, halve stuivers, witte dubbeltjes, storten uit dien machtigen geheimzinnigen romp van de Bus voor hen neer, als hun bezit, op het witte Sjabbestafelkleed.
Ezra, die op de stoep is gaan kijken, komt terug. Wilde oogen van Hartog en Mau; hun vingers grissen het geld. „Hè?”
„Nee niks.”
„Och verrek dan, jij met je vuile comedie,” hijgt Hartog. En nog, bitter om zijn eigen onbeheerschten schrik, onderdrukt gillend: „ik trapje in mekaar, hoor! asje dat nog ’s lapt!”
„Jij trapt,” zegt magere Ezra met angstige oogen, en als Mau hem onderzoekend aankijkt om die ontsteltenis: „Nee niks. Tante Fie van hiernaast; maar ze ging voorbij.”
258