is alleen voor giften van de Joden; naar alle bijeenkomsten, vergaderingen van de Gewwre, op bruiloften en bij begrafenissen, neemt vader ze mee, en verder eiken Zondagmorgen als hij de gewone contributie’s haalt, de heele stad rond. Eli kent de armen die er vast van krijgen: Mevrouw Leefson, die bijna honderd jaar is en met haar zeventigjarige dochter woont, en die al tien jaar, vertelt vader, bedrogen moet worden met brieven van haar zoon in Amerika die vader elke maand met de ouwe juffrouw beneden aan de trap in elkaar staat te flansen, ook al weer, zooals vader zegt, alsof het een complete roo-man is. En de oude weduwe Schaap, die zoo meelijwekkend woont, moederziel alleen in een huisje van één kamertje, heelemaal buiten de stad, onder Bransdorp, aan den Zwartenhoeksdijk, tusschen het armste Gajes, de Christenen, in; in een rauwe lucht van vreemde, bruine stanken, alsof er altijd vuile adems drijven en koude, onopgedroogde dweil-vochten, en vlagen uit openstaande privaten.
En ook nog de weduwe Samuels, die met een klein zoodje ouwe sgoure, nog veel, veel kleiner dan van vader, op de markt staat, met haar leerachtige koppie en haar spleet-oogcn, en haar zwartgebreide mutsje dat bij haar gezicht hoort, en dat geen dag of nacht ooit af komt. En met haar beide half mesjoggene kinderen, die geregeld met hun tong in hun neus loopen, „als maar douwen ze die tong diep de neus in,” zegt vader, „alsof ze op die manier willen onderzoeken of d’r misschien nog een greintje menschelijk verstand ergens weggestopt zit; maar louloone, wat is het?” vraagt hij ineens ondeugend, en dan moet iedereen wel lachen omdat ze wel weten dat het hem alleen om dat heerlijke woord te doen is: „snot!” zegt vader, „en anders niks.”
Dat zijn vaste „aniejem”, de armen; en verder krijgt ieder die in de sjoltegtieje zit, een kleine portie; zijzelf ook wel, met Paasch een beetje matzes, of een stukje vleesch, en soms ook op de andere feestdagen. En aan dat geld uit de Bus te komen: dat lijkt het brutaalste, dat bang maakt. Ja, het maakt hem enkel bang; verontwaardiging om den diefstal aan de armen kent hij hier
257