men; maar zij hebben samen meer dan een halven gulden versnoept, en waar moet, nu er geen kans is op gappen bij het afleveren, het geld vandaan komen? Tegen den middag komt dan vaak de wanhoop: overal in de stad schuld, en een leege achtermiddag waarin zes driftige levens schreeuwen om een vulling. Een eersten keer, een tweeden keer en dan nog eens, maken zij het zich tot een redding; een nog heimelijker en schuldiger stellenden roof-uitval, die Jankef bijna uit het stadje verdrijft. Als tegen drieën het middagmaal op is, gaan vader en moeder wel eens uit. Soms vergeet Eli hoe smartelijk en brekend immer de afloop is, en gaat hij mee; de wandeling wordt, in onbewustheid, dwaas-driest op veel te lang ingezet: men loopt anderhalf of twee uur naar buiten, langs een drogen heeten hoofdweg; men gaat doodmoe in het zwaar riekende bermgras aan een heeten weg zitten; alles aan het lichaam en daarbuiten lijkt verlamd van uitputting, en men heeft vergeten dat men nog twee uur terug moet loopen. De kinderen moeten hun „goeije” klecren sparen, mogen geen enkele speelsche uitkomst in de drukkende verveling ondernemen, niet hardloopen, niet klimmen, zelfs geen bloem plukken; zoo er al geld was voor een verfrissching in een kroegje: de sjabbeswet verbiedt dat toch, en nooit is de terugweg anders dan een straf die niet schijnt te eindigen, en de thuiskomst een in algemeene twist verscheurde redding, waarbij elk zich het gemartelde slachtoffer voelt, omdat alle bezinning, vanaf het heengaan, heel den sioopenden middag ontweken bleef.
Als hij dan zoo gelukkig is om thuis te blijven, woont hij daar een paar keer die wanhoops-uitvallen bij om buit, die hij geschokt van angst en begeerte aanziet, en toch nog ondergaat als een bevrijding uit dien greep van leegte, die op hem in-vreet als een stille, kwellende koorts. Want wat heeft hij al weer niet geprobeerd vanmiddag om die klamme opgezogenheid van dit samenzijn zonder samen-beleving, te ontstijgen? Zij houden hem vast in blijvende verwachting, want alleen is hij ook zoo machteloos op zulk een dag. Er zijn geen dingen; hij
253